Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Larbi

SamenlevingGeplaatst door Frank Van Laeken za, september 10, 2016 13:14:36

J'peux? Hij vroeg het ietwat bedeesd, in z'n uitgerafeld plunje. Een T-shirt dat ooit rood moet geweest zijn, maar dat alle kleur was kwijtgeraakt omdat het altijd en overal gedragen werd, een beetje muf rook, haast één was geworden met een mager lichaam. Een grijs broekje dat een maat te groot rond z'n heupen wiegde en na elke stap moest opgetrokken worden. Geen sokken. Loopschoenen die in een ver verleden nog maagdelijk wit waren geweest en die nu een flink aantal tinten grijs vertoonden. De zolen leefden een eigen leven, flapperden op en neer terwijl de bezitter van de schoenen over de groene zone draafde.

J'peux? Ja, hij mocht meevoetballen met ons. Comment tu t'appelles? Larbi. Getaande huid, kalend hoofd met op de zijkanten de restanten van een weelderige krullenbol, komische overblijfselen van een beau garçon. Leeftijd: iets tussen de 25 en de 45, moeilijk te schatten. Hij kwam goed van pas, die zonnige zaterdagnamiddag in het jaar van Orwell, want we waren maar met zeven. Vier tegen drie, dat voetbalt ongemakkelijk.

Moi, je suis Frank. We stelden ons kort voor aan de man die ons luttele seconden later aan flarden zou dribbelen. Zelfs op dat versleten schoeisel spurtte hij ons voorbij, wij, werkzoekende, langzaam maar zeker met bierbuikjes gezegende, veel te weinig sportieve twintigers. Juan Lozano's en Laszlo Fazekassen in 't diepst van onze gedachten. In werkelijkheid: trage slungels met de flexibiliteit van een strijkplank. Larbi confronteerde ons daarmee, liep ons straal voorbij, dribbelde zich een weg langs benen die amechtige pogingen deden om ook eens het leer te raken, tikte de veel te slappe bal keer op keer tussen de twee sporttassen die als doelmond fungeerden.

De volgende zaterdag was hij er niet, de zaterdag daarop weer wel. J'peux? Ja, hij mocht weer, tot groot jolijt van wie bij hem in de ploeg stond en tot afschuw van wie door hem zot gedribbeld zou worden. En zo verscheen hij weken niet en dan plots weer wel op onze geïmproviseerde voetbalarena op een slecht onderhouden grasveldje in een rustig park. Larbi. Een welgekomen passant.

Het waren de dagen dat er op de voorpagina's van de kranten foto's stonden van uitgehongerde Afrikaanse kinderen. Het jaar vóór Live Aid. Ik wilde iets doen, hoe futiel ook, organiseerde een voetbaltoernooitje en bedacht daarvoor de naam 'Sahelp'. Ja, creativiteit zonder grenzen, en dat soort dingen. Het vroor, die 30ste december 1984, maar ik en mijn maten stonden toch maar mooi op de heilige grond van het Olympisch Stadion in Antwerpen, alwaar we vrolijk werden weggetikt door de veteranen van Beerschot en Humo's Overwinnelijke Elf. Onze enige uitblinker stond in de spits: Larbi. Hij stond machteloos tegenover die geroutineerde verdedigers, kreeg ook nauwelijks bruikbare ballen van z'n ploegmaats. Op een bevroren ondergrond leek hij wel een talentloze schaatser, op die versleten basketsloefen die bij iedere spurt afwisselend van schuif-schuif-schuif en van klepperdeklep deden, waarbij de zolen het muzikale intermezzo verzorgden.

Qazz. Zo heette hij met z'n familienaam. Dat hadden we voordien nooit gevraagd. Net zoals we niet hoefden te weten waar hij woonde en wat hij deed. Larbi volstond. Maar nu hadden we z'n naam nodig om het wedstrijdblad in te kunnen vullen. Identiteitskaart? Perdu. Onverzekerd dan maar, in de hoop dat een van die oude rakkers hem niet het ziekenhuis zou intrappen. Qazz. Geboren in Marokko, vertoevend in Antwerpen. Qazz, het rijmde niet alleen op jazz, zo voetbalde hij ook: in een onregelmatig ritme, puur op improvisatie, talent boven regelmaat. Dansend met de bal. Want dat bleek hij te zijn, een danser, zo veel had hij ons intussen toch verteld in de momenten dat we even uitpuften.

"Ik heb deze week Larbi gezien," zei een van de zaterdagse voetbalhabitués een tijdje later, toen we Larbi al lang uit het oog waren verloren. "Hij kroop uit een kartonnen doos op de Groenplaats." Daar schrokken we even van. En toen, toen moesten we er ook om lachen. Zelf nauwelijks in staat om beleg op het net niet beschimmelde brood te leggen. Besmuikt lachend om het droevige lot van een medemaat. Niet omdat we dat zo prettig vonden, dat Larbi bedelend en in onmenselijke omstandigheden moest overleven, maar omdat het zo onwezenlijk leek. De ene dag danste hij ons nog van het voetbalveld, de volgende lag hij letterlijk in de goot. Dat beeld was haast niet te bevatten.

We hebben nooit nog van Larbi gehoord. Geen j'peux meer. Geen spoor van hem terug te vinden. Geen maat die hem vanonder een kartonnen doos zag uit kruipen. Geen pirouettes met een bal in een park. Het leven ging voort: voor ons toch, die met vallen en opstaan toch nog iets van ons leven maakten. Maar voor hem? Geen idee.

Ik moest aan Larbi denken toen ik het verhaal van Jordy las. Gestorven door ontbering. Eenzaam. Het was de schuld van de ouders. Het was de schuld van de zorgverleners. Het was de schuld van de maatschappij. Maar zijn we wel in staat tot mededogen en oprechte interesse in hoe iemand écht in elkaar steekt, vraag ik me dan af. Niemand uit onze vriendenkring ging bewust op zoek naar Larbi, zoals niemand uit zijn vroegere professionele dansomgeving dat zal gedaan hebben. En zoals nu niemand zich na z'n achttiende verjaardag om Jordy bekommerde, zo te lezen.

We zijn zwakke schepsels, hopeloos op zoek naar onszelf, laat staan dat we tijd hebben om naar de ander op zoek te gaan. Larbi. Jordy. Zelfs de namen lijken op elkaar. Ze proberen doorheen de samenleving te dribbelen, tot ze op een muur botsen. Een muur van egoïsme. Gebrek aan empathie. Meedogenloosheid. Het leven, quoi. Af en toe is het goed dat we met ons eigen onvermogen geconfronteerd worden, dat we er ongemakkelijk van worden, dat we — al is het maar tijdelijk — iets voelen van collectieve schaamte, dat we iets denken als: het ligt óók aan ons. J'peux?





  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post734