Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

The Greatest

SportGeplaatst door Frank Van Laeken za, juni 04, 2016 13:30:05

Float like a butterfly, sting like a bee.

Scène 1. Jongen van 7 leest de krant: 'Cassius Clay weigert in Vietnam te gaan vechten'.

Vietnam, daar had ik al van gehoord, de oorlog is in 1966 volop aan de gang, het nieuws sijpelt met enige vertraging ook in de Vlaamse huiskamers door. Dat iemand durft te weigeren om te gaan vechten in een ver, vreemd land intrigeert me. Het voedt mijn prille anti-militaristische gedachten en zal zestien jaar later zeer zeker een invloed hebben op mijn beslissing om gewetensbezwaarde te worden. Ik geloof niet in geweld als oplossing. En daar is dan een bokser, die van 15 maal 3 minuten gewelddadig gedrag zijn beroep heeft gemaakt, om me daarop te wijzen. 'Cassius Clay' staat er wel degelijk te lezen, terwijl de jongeman met die naam twee jaar eerder heeft opgehouden te bestaan. De Olympische kampioen van Rome in 1960, op zijn achttiende!, de wereldkampioen na winst tegen Sonny Liston in 1964, heeft zich bekeerd tot de Nation of Islam, waar hij aan de zijde van Elijah Muhammad en Malcolm X figuurlijk vecht tegen rassendiscriminatie. Smijt zijn Olympische gouden medaille in de Ohio River uit protest tegen segregatie en rassenhaat, nadat hem kort na de Spelen de toegang tot een restaurant wordt ontzegd vanwege zijn huidskleur. De jongen van 7 leest gretig alle artikels over de man die hij begint te bewonderen. Hij kijkt in zwart en wit naar het atletische lichaam van een topsporter. The Greatest. Zou het?

No Vietcong ever called me a nigger.

Scène 2. Ergens in 1970 ziet een jongen van 11 een tv-journaal: 'Muhammad Ali krijgt zijn bokslicentie terug'.

Drieënhalf jaar lang mag Ali niet boksen. Een deel van die tijd brengt hij zelfs achter tralies door, de rest in ballingschap. Niet meer welkom in het Amerika van Nixon, Ku Klux Klan en communistenhaat. Hij die weigert te gaan vechten tegen de verderfelijke Vietcong, de anti-patriot. In mijn ogen wordt hij stilaan de grootste patriot aller tijden. Een man die zich verzet tegen een systeem dat iedereen probeert fijn te malen, indoctrineren, tot haat aan te zetten. Negentien jaar vóór een student zich voor een tank posteert op het Tienanmenplein in Beijing is Ali voor mij de man die figuurlijk voor een tank gaat liggen, die een helikopter dankzij zijn eigen oerkracht aan de grond houdt, die weigert jubelend napalm uit te strooien over de jungle. Een held. Een échte.

He who is not courageous enough to take risks will accomplish nothing in life.

Scène 3. Op 9 maart 1971 ziet een jongen van 12 een verslag van de 'Fight of the Century': 'Ali verliest van Frazier'.

Mijn held wil zijn wereldtitel terug, na drieënhalf jaar van vernedering en uitsluiting. Ik ben blij dat hij terug mag boksen, maar ook een beetje boos. Mijn ouders vinden twaalf veel te jong om 's nachts live naar zijn wereldtitelkamp te kijken op de Nederlandse televisie. Dat Ali verliest is een pleister op de wonde. Helden wil je niet zien tenonder gaan, zeker niet tegen een bruut. Vergeleken met de plompe Frazier is de meer dan honderd kilogram wegende Ali een sierlijke rietstengel. Een wonder van de natuur. (Maar dat boksen, is dat niet verschrikkelijk? Is dat nog wel sport? De twaalfjarige jongen is in dubio, blijft voorlopig wel bewonderen.)

Boxing is a lot of white men watching two black men beat each other up.

Scène 4. In de nacht van 29 op 30 oktober 1974 kijkt een jongen van 15 zich de ogen uit tijdens 'the Rumble in the Jungle': 'Ali wint van Foreman'.

Is Joe Frazier in mijn ogen een lelijke bruut, wat is die George Foreman dan? Een überbruut? Een man die zijn tegenstanders alleen al door zijn verschijning angst inboezemt. Ali maakt geen schijn van een kans, zeggen alle kenners. Ali maakt geen schijn van een kans, denk ook ik. Ik slorp alles op: de krantenartikels, de radiocommentaren, de tv-verslagjes. Ik zie mijn held de draak steken met zijn toekomstige tegenstander. Hij rijmt erop los, want rappen is dan nog geen begrip. Psychologische oorlogsvoering die met één tik tot de categorie 'Belachelijk' kan worden gereduceerd, dat weet ook mijn held. De eerste zeven ronden gaat hij gewillig in de touwen staan, iets wat een bokser normaal altijd wordt afgeraden te doen. Ali incasseert slagen op buik, lever en milt. Af en toe roept hij de molenwiekende Foreman iets toe, een verbaal plaagstootje tussen de hoog opgetrokken handschoenen door. Ik denk: wat een afgang. Ik zing stilletjes met het Zaïrese publiek mee : 'Ali, bomaye!' ('Ali, doodt hem!'). En in ronde acht gebeurt het ondenkbare. Ali komt uit de touwen en stapt op Foreman af. Klets, boem, patat, daar gaat de wereldkampioen bij de zwaargewichten tegen het canvas. Ali heeft de wereldtitel beet. Dat ik uren later op school met kleine oogjes allang vergeten lessen volg: wie kan het wat schelen? Op de speelplaats wordt de kamp dunnetjes overgedaan. Ja, in het midden van de nacht opstaan voor bokskampen, dat doen we nog in de jaren zeventig. Al blijft die ene vraag door mijn hoofd zoemen: mag ik dit wel appreciëren, ik die geen vlieg kwaad zou doen, die nog nooit in zijn leven gevochten heeft?

People don't realize what they had till it's gone. Like President Kennedy, there was no one like him, the Beatles, and my man Elvis Presley. I was the Elvis of boxing.

Scène 5. 1 oktober 1975, net iets minder dan een jaar na zijn onverwachte zege tegen Foreman, bokst mijn held in de 'Thrilla in Manila': 'Ali wint van Frazier'.

Een jongen van zestien ziet dat na de reus Foreman ook het monster Frazier eraan moet. Weer een nachtelijk gebeuren, omdat de organisator op de Filipijnen vooral de Amerikaanse tv-kijkers wil plezieren en die kijken liefst rond een uur of negen 's avonds, midden in de nacht bij ons, 's ochtends vroeg in Manila. Mijn held wint dan wel, maar de magie is weg. Zelfs de kamp tegen de verloren gelopen Belg Jean-Pierre Coopman volg ik het jaar nadien in uitgesteld relais. Gelukkig maar, want het is een farce. Ali is onverwacht aardig voor zijn opponent. Hij weet: piece of cake. Coopman is een sparring-partner voor de wereldkampioen, die op zijn 34ste zichtbaar trager bokst. Hij zweeft niet meer door de ring, hij steekt nog slechts af en toe. Er klopt iets niet. Maar wát?

Wars of nations are fought to change maps. But wars of poverty are fought to map change.

Scène 6. Een over zijn hele lijf bevende man loopt op 19 juli 1996 een gigantisch podium op: 'Ali ontsteekt de Olympische vlam'.

Parkinson, dat heb ik al gelezen in 1984 of zo. Een gevolg, wellicht, van de vele geïncasseerde klappen. Maar dat het zo erg is... Ik wend mijn hoofd af, al mag dat niet te lang duren, want de sportredactie verwacht dat ik de hoogtepunten van de openingsceremonie samenbal in een montage van drie minuten. Het liefst laat ik er mijn held uit, maar dat kan niet: de Olympische vlam is het hoogtepunt van die veel te lange, veel te dure, veel te pompeuze bedoening. Ik vind het ontluisterend. Net zoals ik het een paar dagen later jammer vind dat hij symbolisch zijn gouden medaille van Rome, die hij kwaad in een rivier had gesmeten, terugkrijgt. Ik vind het nep, Amerikaanse show, een groot kampioen onwaardig. Het doet af aan die moedige daad van zesendertig jaar voordien. Ali laat zich gewillig fêteren, zo lijkt het. Of hij ondergaat het, wie zal het zeggen? Als hij zestien jaar later de Amerikaanse vlag mag dragen wanneer Team Yankee het Olympisch Stadion in Londen betreedt, pink ik een traan weg. De commentator noemt het ontroerend en historisch, ik zie alleen maar een vernederde sukkel, die 'neger' met zijn slavennaam, Cassius Clay, die opnieuw als aapje wordt opgevoerd voor een joelend publiek. Het is weer 1960.

I've made my share of mistakes along the way, but if I have changed even one life for the better, I haven't lived in vain.

Scène 7. Een jongen van 40 laat zijn held in de steek.

De Top 52 van de eeuw, mijn idee om het hele jaar 1999 de grootste sporters aller tijden te eren middels een rubriekje in Sportweekend. Alle medewerkers van de tv-sportredactie mogen een persoonlijke Top 20 opstellen, van die verzamelde lijsten maken we een Top 52. Er wordt flink gediscussieerd die dagen. Er ontstaan twee groepen: de Merckxisten, zij die Eddy Merckx de grootste sportman aller tijden vinden, en de anderen, zij die kiezen voor Carl Lewis, Michael Jordan, Pelè of Muhammad Ali. Ik denk: Ali. Ik zet op 1: Merckx. Het ultieme verraad, omdat ik tot een groep wil behoren en daarom laat ik de man vallen die ooit zijn gouden plak wegzwierde omdat hij niet tot een groep mócht behoren. Ik ben een lafaard. Ik wil dit hier en nu, op mijn zevenenvijftigste, goedmaken: Muhammad Ali, en niemand anders, is de mooiste, praatvaardigste, interessantste, grappigste, intelligentste en, jawel, beste sportman aller tijden.

I'm the greatest thing that ever lived! I'm the king of the world! I'm a bad man, I'm the prettiest thing that ever lived.



  • Reacties(1)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post723