Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Historische littekens

GeschiedenisGeplaatst door Frank Van Laeken di, januari 22, 2013 15:20:47

(Vanavond zendt Canvas het derde en laatste deel uit van 'The Dark Charisma of Adolf Hitler', een indrukwekkende documentaire reeks waarin wordt onderzocht hoe het kon dat de Duitsers hun Führer zo onvoorwaardelijk op handen droegen. Waar haalde hij het gezag vandaan om uiteindelijk almachtig te kunnen worden? Bij deze gelegenheid haal ik alweer een oud artikel over het nazisme uit mijn privé-archief. Dit keer een boekrecensie van 'Zelfportret met litteken. Een autobiografie' van de Pools-Israëlische auteur Roman Frister, waarin die dieper ingaat op zijn, onmogelijke, leven als jood in het nazi-tijdperk. De tekst verscheen oorspronkelijk op zaterdag 31 oktober 1998 in De Financieel-Economische Tijd.)


De Israëlische schrijver Roman Frister werd in 1928 in het Poolse Bielsko geboren. Een geval van 'het verkeerde kind op de verkeerde plaats', zoals er in de jaren dertig en veertig miljoenen waren. In 1941 werden Frister en zijn ouders naar een concentratiekamp in de buurt van hun woonplaats getransporteerd. Moeder Frister werd de schedel ingeslagen door een Duitse kampoverste, vader Frister overleed ten gevolge van ontbering en tering. Zoon Frister overleefde als bij toeval. Meerdere keren ontsnapte hij als bij wonder aan de gasdood.

Na de oorlog kreeg Frister herrie met de Poolse communistische leiders. In 1957 emigreerde hij naar Israël, waar hij journalist werd, o.m. bij het gerespecteerde dagblad Ha'aretz. Later werd hij de rechterhand van mediamagnaat Robert Maxwell. In 'Zelfportret met litteken' brengt hij zijn levensverhaal. Niet chronologisch, niet thematisch, maar op het ritme van zijn gevoel en zijn scherpe weergave van herinneringen. De lezer wordt doorheen een bewogen levensloop geleid. Door de vele flashbacks wordt het intrinsiek minder interessante gedeelte ná de oorlog zodanig omlijst, dat ook die passages beklijven. Frister heeft - ondanks een ogenschijnlijk succesrijke carrière - altijd met een loodzware oorlogserfenis geleefd. Getuige daarvan zijn vele mislukte huwelijken en dito liefdesavonturen.

Illusie

Het sowieso al bijzonder interessant en intrigerend verhaal wordt nog extra in de verf gezet door Fristers prachtige stijl (compliment ook voor de Nederlandse vertaler). 'Achter de deuren van de barakken werd gehandeld in elementaire levensmiddelen,' schrijft hij over het verblijf in het kamp. 'Af en toe brak er ruzie uit, hier en daar werden vriendschappen gesloten: alles net als in het echte leven, daar aan de andere kant van het prikkeldraad. De gedachte aan de dag van morgen zette je maar uit je hoofd. Je leefde voor het moment, en het geheim van het kleine geluk lag besloten in het vermogen om simpelweg te bestaan, als vee dat vrij rondloopt in zijn stal, niet wetend dat het voor de slacht bestemd is.' Of hoe je iets afschuwelijks verschrikkelijk mooi kan verwoorden.

'Illusie' stond dagelijks op het geestelijke menu en 'doen alsof' was de belangrijkste stelregel in het kamp, schrijft Frister. Het 'Wir haben es nicht gewußt' van de Duitse bevolking is ook voor Roman Frister een collectieve leugen. Dat geldt zeker voor iedereen die in de kampen werkte. 'Ook al waren de opzichters misschien geen geboren sadisten, onder de omstandigheden stak hun verborgen wreedheid de kop op. Ze leken bezeten van efficiency en productiviteit; misschien waren ze bang dat de allerkleinste vertraging de oorlog in hun nadeel zou beslissen. Ze wisten maar al te goed dat een nederlaag het einde zou betekenen van de nazidroom waarin elke zuivere Ariër een Volkswagen ten deel viel.'

Schrijnend wordt het wanneer Frister de meedogenloosheid beschrijft waarmee gevangenen op de duur hun zieke lotgenoten bekeken. Of beter: níet bekeken. Wie zich inliet met een zieke medegevangene, overleefde het doorgaans zelf niet. Egoïsme werd een levensnoodzakelijkheid, ook de joden kenden hun eigen 'Wir haben es nicht gewußt'-leugentje om bestwil. Frister, over de dag dat zijn zieke vader uitgemergeld instortte tijdens het ochtendappèl: 'Mijn vaders hand gleed af van de schouder die ik hem had geboden, zijn lichaam klapte dubbel. Het had geen zin meer om zich groot te houden. Hij zeeg geruisloos neer, als een zak vol watten. Spontaan, onnadenkend boog ik voorover om hem omhoog te trekken, terug in de rij. Maar ik deed het niet. Zonder hem ook maar aan te raken richtte ik me weer op en keek recht in de ogen van de officier die het appèl hield. Als ervaren gevangene wist je dat je je niet moest associëren met mensen die niet meer te helpen waren. Ook pech was een besmettelijke ziekte.'

Prachtige zinnen, maar eigenlijk bijna onmogelijk om lezen. Dit is hard en pijnlijk in al zijn eerlijkheid. Zelden schreef een slachtoffer zo letterlijk dat hij ook een dader was, een bijna-medeplichtige, een ontmenselijkt levend geraamte dat meedraaide op de tonen van de Duitse triomfmars.

Weerspiegeling

'De nazi's hadden ons niet alleen met prikkeldraad omsloten, maar ook met een dikke muur van verboden, regels en bevelen die ons tot absolute gehoorzaamheid dwongen,' schrijft Frister in een latere passage. Bij het doodsbed van zijn vader komt hij plots tot het besef dat diens toekomstbeeld positiever is dan het zijne. Alsof wie sterft in het concentratiekamp er eindelijk van af is. 'Ik besefte niet dat je er op je sterfbed behoefte aan hebt in je eigen toekomstbeeld te geloven. Het is tenslotte makkelijker in hoop te sterven dan in wanhoop. Ik was uitgeput na een hele dag werken en kon niet, of wilde misschien niet stilstaan bij dergelijke subtiliteiten. Mijn lege maag werkte als een pomp die me geheel dreigde op te zuigen.'

De auteur komt tot een belangrijk, filosofisch inzicht. 'De mensen zijn niet wat ze lijken; wat we zien is slechts een weerspiegeling, het beeld dat anderen van hen hebben. En als de waarheid te laat aan het licht komt, heb je er niets meer aan.' Het is geen Phil Bosmans-achtige leuze die verpakt werd in een holle Bond Zonder Naam-doos. Net als deze bedenking: 'Mensenlevens hebben geen marktwaarde; net zomin als oorlogen op het slagveld beslist worden.'

Na de oorlog werd Polen communistisch en werden de nazi-verklikkers vervangen door communistische verklikkers. Voor Frister had de sfeer iets vergelijkbaars (in de Sovjet-Unie waren er zelfs concentratiekampen en systematische uitroeiingen van de vijanden van het regime). 'Net als tijdens de nazibezetting maakten de mensen zich ook nu wijs dat het hun niet kon gebeuren, dat hun onschuld moeiteloos bewezen zou worden en dat iemand dan een hand op hun schouder zou leggen, zich voor de betreurenswaardige vergissing zou verontschuldigen en hen weer naar huis zou sturen.'

Verscheurende vragen

Niet-begrijpen is dan ook een centraal uitgangspunt van dit boek. Fristers ouders brachten hem van jongsaf aan de hoogstaande Duitse cultuur bij. 'Mijn ouders hadden me zonder moeite een onwankelbare eerbied voor de beschaving van de Duitssprekende volken bijgebracht. Daar stond ik geheel open voor. Evenals velen kon ik niet vermoeden dat een natie die generaties van reuzen had voortgebracht, nu een generatie van moordenaars zou voortbrengen.'

Frister ontziet zichzelf niet, nooit. Hij komt tot verscheurende vragen, probeert te begrijpen waarom hij irrationeel reageert op dingen die ver van hem af staan - en die hijzelf omschrijft als 'de absurditeit van tegenstrijdigheden' - en rationeel op dingen die hem wel aanbelangen. 'Ik liet geen traan toen mijn moeder vermoord werd, en ook toen ik in Plaszów voor mijn vader stond, kon ik niet huilen. Waarom krijg ik dan tranen in mijn ogen als ik in de bioscoop naar een melodrama kijk? Waarom ben ik bereid mijn leven op het spel te zetten om voor een overstekende hond te remmen, en heb ik nooit medelijden gehad met een medemens, noch met mezelf? Kennelijk leven er emoties in ons die door ons verdedigingsmechanisme op de bodem van onze ziel worden vastgehouden. Daar zitten ze als een vogel in een kooi, tot er een schok komt die de kooi hard genoeg door elkaar schudt om hem open te laten gaan, en de vogel begint te zingen.' Besluit: 'Wat is het toch irritant en frustrerend dat we de vorming van onze persoonlijkheid niet kunnen controleren zoals we met de werking van onze spieren doen.'

Wanneer een joodse verklikker in het kamp wordt ontmaskerd en vervolgens door zijn medegevangenen vermoord, stelt Frister zich daar jaren na datum filosofische vragen bij. Hij kan de daad op zich niet goedkeuren - het blijft immers moord - maar gezien de omstandigheden acht hij hem nochtans toegelaten. De verantwoording volgt alweer in vraagvorm. 'Wie zegt dat alleen een onafhankelijke rechtbank misdadigers mag berechten?'

Zelfbescherming

Vragen, almaar weer vragen. Vragen die Frister zichzelf stelt, maar via het boek ook aan zijn lezers voorlegt. Vragen die er telkens weer op neerkomen dat de mens voortdurend met zichzelf in de knoop ligt, tenzij je een complete je m'en-foutist bent. 'De vraag is: naar welke morele normen moet ik mijn gedrag beoordelen? Moet ik uitgaan van een moraal die geen rekening houdt met omstandigheden, met tijd en plaats, of van een moraal waarin tijd en plaats de doorslag geven? In het eerste geval zou ik mezelf moeten veroordelen; in het tweede zou ik mezelf vrij mogen pleiten, al was het alleen maar vanwege de twijfel. Want als het leven het hoogste goed is, moet je dan niet alles doen om ook ten koste van andermans leven in leven te blijven? Wie kan beoordelen wiens leven belangrijker was, dat van mij, of dat van de anonieme gevangene die ik ter dood veroordeelde op het moment dat ik zijn muts stal? En meer praktisch: had ik niet het recht op zelfbescherming, een recht dat rechtstreeks voortvloeide uit de in die tijd en plaats heersende normen? Ik ben me bewust van het gevaar dat dergelijke argumenten in zich dragen: ze leggen de grondslag voor een heel bouwwerk van excuses voor verschrikkelijke gruweldaden. En toch: het schot dat de anonieme gevangene doodde, galmde niet na in mijn geweten toen ik een jongen van zestien was. Waarom zou ik het dan aan het geweten van die jongen laten knagen alleen maar omdat hij intussen veertig jaar ouder is?'

Het leunt dicht aan bij Brechts 'Erst das Fressen, dann die Moral'-gedachte. Het is gewoon één van de vele verschroeiende passages in dit machtige boek dat de autobiografie van de persoon Roman Frister ver overschrijdt.

Roman Frister - Zelfportret met litteken. Een autobiografie - 1998, Contact, Amsterdam/Antwerpen, 447 blz., ISBN 90-254-2298-5.

  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post71