Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Als het werk stopt

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken za, mei 16, 2015 12:34:57

(Onderstaande paragrafen vormen het begin van hoofdstuk 1 van mijn boek 'Als het werk stopt', waarin ik werkzoekende vijftigplussers en arbeidsmarktdeskundigen aan het woord laat over de problematiek van oudere werknemers. In dat eerste hoofdstuk vertel ik mijn persoonlijke verhaal. In dit uittreksel eindig ik op het ogenblik dat het werk begon. De rest kunt u in het boek ontdekken - zij het met een plotse opstoot van commerciële flair.)

Toen ik acht was, wilde ik sportjournalist worden. Dat was al heel snel duidelijk voor mijn ouders, want ik lag op het kamerbreed tapijt voor de televisie voetbalwedstrijden te spelen met metalen spelertjes die ik van een tafelvoetbalspel had losgewrikt. Geel-zwart tegen rood-wit, waarbij de roodwitten slechts met zijn tienen waren. Een van die metalen mannetjes was zoekgeraakt en werd dan maar vervangen door een rondbuikig Lego-ventje. Rond het veld met zijn denkbeeldige lijnen had ik kartonnen reclameborden met handgeschreven productnamen gedrapeerd. Het zag er voldoende geloofwaardig uit, vond ik zelf.

Rik De Saedeleer was mijn icoon van die tijd. De stem van het voetbal, toen nog in zwart-wit. Ik bediende dus niet alleen op mijn eentje eenentwintig-en-een-halve voetballertjes, ik gaf er ook nog eens luidop commentaar bij en bootste joelende supporters na. Voetbal, een feest. Tv-kijken was voor mijn ouders op dat moment minder een feest, durf ik jaren later te veronderstellen. O ja, mijn ploeg heette TAF, naar een merk van sigarenbanden dat mijn vader toen verzamelde. TAF werd keer op keer kampioen, terwijl de tevreden fans 'T-A-F! T-A-F!' scandeerden.

Je hebt van die tieners die al heel snel weten wat ze met hun leven willen aanvangen. Ik niet. De droom om sportjournalist te worden lag zo ver buiten mijn bereik, dacht ik, dat het niet meer dan een droom bleef. Ik volgde braaf handel aan het Gemeentelijk Handelsinstituut in Merksem, halfweg de jaren zeventig nog geen deelgemeente van de fusiestad Antwerpen, en pas rond mijn zeventiende wist ik dat mijn toekomst niet achter een bureau lag. Toch niet met een rekenmachine bij de hand.

Ik ging aan het RITCS studeren, toen nog met de 'C' van 'cultuur in de benaming, en koos in al mijn dwarsigheid voor de afdeling Sociale Communicatie. Het kneusje van de opleidingen, want elk jaar zaten er maar een paar studenten in die richting, ambitieuze types die journalist of cultuurambtenaar wilden worden, al lag de nadruk toch op de journalistiek. Na twee gemeenschappelijke jaren - oké, ik geef toe: het werden er in de praktijk drie - kwamen de twee specialisatiejaren, waarin ik de helft van de tijd gemeenschappelijke vakken met de afdelingen Film, Radio & Televisie en Toneel volgde en de andere helft alleen in mijn afdeling zat. Die 'alleen' mag u letterlijk nemen, ik was de enige die voor Sociale Communicatie had geopteerd. De andere studenten wilden later wereldberoemd cineast worden, of befaamd dramaturg, of desnoods tv-regisseur. Geen journalist, wie wil dat nou?

In het laatste jaar nam Maurice De Wilde een kwart van de lesuren voor zijn rekening. U moet zich dat voorstellen: 1981-1982, de reeks over 'De Nieuwe Orde' beroerde net de Vlaamse gemoederen en ik zat daar alleen tegenover die Grote Journalist, die vier uur ononderbroken les gaf en ondertussen rookte als een Turk. Een mentor werd hij. Niet verwonderlijk dat ik mijn burgerdienst - niemand zou me dwingen om braaf te gehoorzamen in het leger! - bij de BRT wilde doen, op de dienst Volwassenenvorming, waar De Wilde de reeksen over de collaboratie voorbereidde.

Tussen de dag dat ik afstudeerde en het moment dat mijn burgerdienst zou aanvatten, moest ik werkloos toekijken. Dat betekende in die dagen: een jaar wachten op een eerste uitkering, dan elke dag gaan stempelen. Iedere dag op een ander tijdstip nog wel, want van stigmatiseren en controleren wist de overheid alles in de woelige en uitzichtloze jaren tachtig. Ik begon intussen te schrijven voor kleine bladen, onder meer het gereputeerde De Nieuwe, waaraan een aantal uitermate kritische, prachtige linkse pennen meewerkten. Et moi. A rato van zevenhonderd vijftig frank per stuk; 18,75 euro voor wie vergeten is hoe dat weer zat met dat omrekenen. Een habbekrats, maar wel een ontzettend fijne leerschool. Uiteindelijk zou ik pas vanaf juni 1984, na bijna twee jaar werkloos te zijn geweest en na een ultiem boos telefoontje van De Wilde naar een of ander ministerie over die lange wachttijd, dagelijks naar de Reyerslaan 52 mogen pendelen.

Zoveel respect ik had voor de journalist en tv-maker Maurice De Wilde, zo moeilijk had ik het om met de man samen te werken. Zeker nadat ik de euvele moed had gehad om voor mijn bijdrage over de jeugdcollaboratie in een van zijn boeken over 'De Collaboratie', die werden uitgegeven bij een privé-uitgeverij, een bescheiden deel van de auteursrechten te vragen. Er volgde een beleefd conflict, met een resem officiële nota's heen en weer, waarbij ik zelfs gelijk kreeg van de voorzitter van de raad van bestuur van de BRT, en vervolgens een onvermijdelijke mutatie naar een jeugdhuis in Antwerpen, in een gebouw waar FM 2000 gehuisvest was, de lokale radiozender waar ik verantwoordelijk was voor de informatieve uitzendingen.

Eind februari 1986 was mijn burgerdienst afgelopen en voelde ik me even uitgebuit en gekleineerd als een doorsnee milicien, alleen had ik dubbel zo lang moeten dienen: twintig maanden in plaats van tien. Het was crisis, de regering had kort voordien bijzondere machten uitgevaardigd, 'volmachten' in de volksmond, waardoor ze het parlement straal kon negeren, en er werd hevig actie gevoerd tegen het neoliberale beleid. Voor een jongeman van 27 zag de toekomst er niet bepaald rooskleurig uit. Herkent u het een beetje?

Een eerste werkervaring duurde welgeteld twee dagen, bij een bruut van een zaakvoerder die in opdracht bedrijfsfilms maakte en de hele dag zijn werknemers kleineerde in het bijzijn van alle anderen. Ik zag me echt niet langer voor zo'n slavendrijver opdraven, dat pover contract ondertekenen hoefde niet eens voor mij.

Ik solliciteerde dat het een lieve lust was: per handgeschreven brief, want zo ging dat toen nog. Bedrijven mochten in hun vacatures nog leeftijdslimieten opleggen en dat deden ze dan ook gretig. De eisen lagen onrealistisch hoog: voor sommige jobs mocht je maximaal 25 jaar oud zijn, maar moest je minstens tien jaar ervaring hebben en vanzelfsprekend perfect zeventalig zijn. Dat soort gevoel kreeg je tenminste nadat je de vacature gelezen had.

Ik greep net naast een job als copywriter bij Colruyt, maar werd daardoor opgevist als kandidaat voor een baan op de marketingafdeling van dochterbedrijf Dolmen Computer Applications. De tests waren prima, het gesprek verliep rimpelloos. Op het eind vroeg mijn toekomstige werkgever hoe lang ik van plan was voor hem te komen werken. 'Tot mijn pensioen?', vroeg ik ietwat verbouwereerd. Daar werd hartelijk om gelachen door de twee mensen aan de andere kant van de tafel, die al wel wat jobhoppers hadden zien passeren in het era van de yuppies en de carrièrejagers. Op 27 mei 1986 mocht ik eindelijk beginnen werken, bijna vier jaar nadat ik met voldoening was afgestudeerd.



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post641