Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Ik ben met mijn bompa naar de voetbal geweest!

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken di, april 16, 2013 13:08:50

Een tram die helemaal leegloopt. Allemaal mannen, de meesten dragen een hoed en een grijze lange jas. Het is frisjes, maar niet echt koud. Alsof ze wordt aangezogen door een reusachtige magneet wurmt de massa zich naar het honderd meter verderop gelegen voetbalstadion. Op een veldje ernaast warmen opgeschoten kerels zich op. Twaalf aan de ene kant van de witte middenstreep, twaalf aan de andere. Ze lopen wat, passen de bal naar elkaar of houden schietoefeningen op een doel waarin een lange slungel ongeveer in het midden staat te wiebelen. Langs de kant bromt iemand af en toe wat aanwijzingen. Als je zou willen, kan je de helden aanraken. Het is 20 november 1966, de wereld zit eenvoudig in elkaar.

***

Eerste impressies van een zeven jaar en net geen tien maanden oud joch dat voor het eerst aan de hand van bompa mee mag naar het voetbal. Naar Beerschot, dat spreekt vanzelf, want bompa is al supporter van zijn veertiende. In 1922 is dat. Aan het eind van het eerste seizoen dat Royal Beerschot Athletic Club landskampioen wordt. Iets wat ze tussen de twee oorlogen nog zes keer zullen herhalen. Voor het laatst in 1939. Beerschot is op dat moment de beste ploeg van 't land, maar dan komt die verschrikkelijke oorlog.

Hij heeft het allemaal meegemaakt, den bompa. In de familie denken ze altijd dat ik een stille ben, die in zijn eentje wat zit te spelen en te mijmeren, maar ik ben stiekem de hele tijd aan het luisteren hoe de Grote Mensen over de voetbal praten en hoe vooral bompa hoog opgeeft van Raymond Braine en Rik Coppens en vooral van Stanley Van den Eynde, 'de fairste voetballer die er ooit geweest is'. En ik wil mee naar dat Olympisch Stadion, naar dat pantheon van de heroïek in korte broek en op noppen.

***

Op het oneffen pad naar de tribune is het een gedrum van jewelste. Ik mag de hand van bompa niet lossen, wie weet waar ik dan beland. Dus knijp ik nog wat harder. Onze weg wordt versperd door een imposant figuur die iets in de trant van 'Pa-ke-pa-ke-paak' roept en die snoepgoed verkoopt, het soort plakkerige spul waarvan je zesenveertig jaar later alleen maar kunt veronderstellen dat het gesponsord werd door de tandartsenvereniging, hopeloos op zoek naar nieuwe patiënten. De reus roept niet alleen iets onverstaanbaars, hij ziet er ook helemaal anders uit. Pikzwart. Het is mijn eerste kennismaking in het echt met... een neger.

Op de hoofdtribune moeten we één hoog zijn. Bompa laat de controleur een gaatje prikken in zijn abonnement. Hij kent de routine, hij werkt zelf voor de buurtspoorweg, daar prikken ze altijd gaatjes in vervoerbewijzen. Ik mag gratis mee binnen, snotneus zijn heeft dan nog zijn voordelen. Ik ben een beetje verbaasd dat we niet plaatsnemen op één van de vele rijen met houten banken. We gaan net achter de laatste rij staan. Perfect overzicht. Bompa is niet van de grootsten en ik... ik ben nog klein. En dus staan we driekwartier voor de aftrap al te popelen.

Ik geef mijn ogen de kost en zie vooral mannen: weinig vrouwen, nauwelijks kinderen. Twintig meter naar links zie ik een televisiecamera op een platform staan. Ernaast zit een man met een kolossale koptelefoon op en een al even monumentale microfoon voor zijn neus. 'De Saedeleer is er,' fluistert iemand bij ons in de buurt, op zo'n eerbiedige toon dat je wel onder de indruk móet zijn. En het joch van zeven jaar en net geen tien maanden is trots, want hij kent die naam. Da's die meneer die commentaar geeft op tv. Hà, mij maak je niets wijs, Grote Mensen!

***

Het stadion loopt aardig vol. FC Brugge is op bezoek, een topclub, maar nog geen 'Club', want zo familiair gaat het er in de jaren zestig nog niet aan toe. Op de sintelbaan rond het veld stapt een mannetje in het geel rond, die luid 'Frisco glacé!' roept en die geregeld uit zijn al even knalgele box een roomijs op een stokje opdiept. Wie er één wil loopt de trappen af tot aan de balustrade. Wie midden in een rij zit, geeft de centen gewoon door aan diegene die voor hem zit en zo gaat dat verder tot bij de friscoman. Het ijsje gaat vervolgens de omgekeerde richting uit. Af en toe moet de friscoman uitwijken voor een gebrekkige in een karretje, met naast hem een begeleider op een plooistoeltje. (Ja, 'neger', 'gebrekkige', in de jaren zestig ligt men nog niet wakker van stigmatiserende zelfstandige naamwoorden!)

Geen gebrekkigen aan de overzijde van het veld. Ik lees gretig de reclamepanelen af: Hertekamp, Apollinaris, Gazet van Antwerpen. Een kleine, knalrode vrachtwagen rijdt rond op de sintelbaan en smijt pakketjes kauwgom en sigarettenpapier in het rond. Niet hoog genoeg om er eentje te vangen, wel hoog genoeg om de naam 'Rizla' te kunnen herkennen. De stadionomroeper heet 'Bestuur, spelers en supporters van Royal Football Club Brugge van harte welkom in het Olympisch Stadion' en geeft dan de elf namen van elke ploeg. Een veel te luid bandje wordt afgespeeld met reclame voor St. Michel, 'de sigaret van de sportman', of voor 'E-D-O-X, Edox, altijd de juiste tijd'.

De supporters van FC Brugge klitten samen op de staanplaatsen achter het linkerdoel, de kant van 'het klooster', zegt bompa, maar ik ontwaar ook blauwzwarte sjalen op de hoofdtribune, te midden van de Beerschotsupporters. Niemand die er iets van opmerkt, af en toe wel een durfal die iets onvriendelijks roept naar die mensen met hun vreemde dialect, maar het blijft al bij al amicaal en onschuldig. Ook de spelers van de tegenpartij worden een beetje uitgejouwd en gejend, maar er is er vooralsnog geen enkele bij wiens moeder in de prostitutie zit.

De staanplaatsen langs de andere kant worden 'de klok' genoemd, want daar hangt nu eenmaal dat grote uurwerk. Daaronder de bordjes 'Beerschot' en 'Bezoekers' en twee grote nullen. De grote wijzer staat bijna op twaalf, de kleine op drie. Iedereen is er klaar voor. Ook de bordenman, die, balancerend op een klein platform, de nul moet vervangen door een één als er gescoord wordt.

***

Norbert De Potter heet de doelwachter van Beerschot. ('Doelwachter', zo staat dat ook in de voetbalverslagjes van de Volksgazet, want mijn grootouders lezen de gazet van de socialisten.) Eerste keeper Jos Smolders, die de supporters minzaam 'Smollie' noemen, of ook wel 'zotte Smolders' (zij het dan iets minder minzaam), is geblesseerd en ook de tweede doelman, Willy Mortier, is niet beschikbaar. En dus mag De Potter voor het eerst, en voor het laatst, proeven van eersteklassevoetbal.

De lange slungel die ik een uurtje voordien nog had bewonderd op het oefenveld, omdat hij iets deed wat ik zelf ook wil doen: ballen pakken en de held van de ploeg zijn, mag zich nu al na vier minuten omdraaien. Nul-één. Het gemor stijgt op. 'Die had hij toch moeten hebben!' Het gemor zal een hele eerste helft blijven duren, want De Potter is het type dat men vandaag de dag het weinig sympathieke 'Vliegenvanger' zou toeroepen. Bij de rust staat het één-vijf en hoor ik rondom mij geklaag en gevloek. Mijn bompa gromt stilletjes mee. Maar ik lig er niet wakker van. Ik sta hier toch maar mooi te blinken op mijn allereerste live voetbalmatch.

Twee minuten na de rust scoort de voorspeler van Brugge nog eens. De doelwachter van Beerschot staat erbij en kijkt ernaar. De man die scoort is het knoestige type, dat er op zijn tweeëntwintigste al veertig uitziet, maar hij is wel razend snel en hij trapt de ballen er vlot in. Raoul en nog iets, noemen ze hem op de tribune. Ik zit nog niet in de fase dat ik alle namen onthoud, dat is pas twee jaar later. Beerschot scoort nog twee keer tegen. Drie-zes, ik heb negen doelpunten gezien. Ik ben tevreden. Bompa niet.

Bij het buiten lopen is het weer drummen. Ik grijp de hand van een man in een grijze jas, zoals ze d'r allemaal één dragen. Maar het voelt vreemd aan. Na tien meter stappen weet ik waarom: dit is mijn bompa niet. Paniek. Een traan schiet in mijn linkeroog. Tot ik zie dat bompa vijf meter achter mij volgt. Oef. (Marc Dutroux is pas tien geworden, niemand ligt dan al wakker van vreemde mannen die rare dingen doen met jonge jongetjes - waarmee ik overigens niet wil zeggen dat die meneer van toen zo'n vieze oude man was!)

***

De tram voert ons weer naar Merksem, waar boma wacht met het avondeten. We kijken samen naar het verslag van de wedstrijd in Sportweekend. Rik De Saedeleer geeft van katoen. De uitslag blijft drie-zes. En er zijn ook beelden van enkele andere wedstrijden te zien, maar niet alle doelpunten. Cameramannen krijgen die dagen nog een rol film van twintig minuten mee en daar moeten ze het een hele wedstrijd mee stellen. Als ze denken dat er doelgevaar zal volgen, drukken ze op 'opname'. Maar soms doen ze dat niet en valt er toch een doelpunt. Pech gehad!

De andere wedstrijden worden in de studio van commentaar voorzien door een klein ventje met wit haar: Pol Jacquemyns. Een duivenmelker van zeventig jaar, die in een kleurrijke taal en met behulp van zijn hele lichaam illustreert wat er is gebeurd op de velden waar geen camera stond. Als hij zegt 'En Swat Janssens zette de bal voor vanop rechts', dan beweegt zijn rechterbeen alsof hij zelf diegene was die die namiddag de beslissende voorzet had getrapt voor Lierse SK. 'Frans Vermeyen kopte de bal binnen' begeleidt hij met een voorwaartse beweging van zijn hele bovenlichaam, iets wat het midden houdt tussen een buffelstoot en de onzekere bewegingen van een dronkaard die over de dansvloer wallebakt.

's Anderendaags kan je dan in de Volksgazet lezen dat de voorzet van Lucien Olieslagers was en dat Vermeyen met de voet heeft gescoord, maar wie maalt daar om? Hé, we zijn 1966, het leven is mooi. Ik ben met mijn bompa naar de voetbal geweest!

  • Reacties(4)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post147