Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Het ongewenste pakje. Een modern kerstverhaal

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken za, december 26, 2015 12:55:41

Een intens en aanhoudend geween had het koppel, dat sowieso al zeer licht sliep, gewekt. Het was meer krijsen dan huilen wat ze hoorden. Bartholomeus, een soort timmerman, die al jaren aan de weg timmerde, en Elisabeth, een soort maagd, die net als Doris Day op latere leeftijd haar maagdelijkheid had herwonnen, snelden de trappen af, op zoek naar de plek waar het door merg en been snijdende geluid vandaan kwam. Bij de voordeur hielden ze halt. Voorzichtig trok Elisabeth de deur open, waarop Bartholomeus letterlijk zijn hoofd buiten stak. Ze keken naar beneden en zagen het rieten mandje staan, met daarin de producent van het lawaai: een pasgeboren baby.

“Godver,” fluisterde Bartholomeus verschrikt, alsof hij niet besefte dat zachtjes praten om de buren niet wakker te maken geen zin meer had, met die minuscule herriemaker aan hun beider voeten en vlak voor de deur.

“Jezus,” riep Elisabeth, “straks gaan de buren nog denken dat die van ons is. Een onbevlekte ontvangenis of zo. Stel je voor, die moeten denken dat het hier een stal is!”

“Maar...,” klonk Bartholomeus ontsteld toen hij het decibelfabriekje nader onderzocht, “maar... het heeft een donkere huidskleur. Hoe is die hier beland?”

Elisabeth knikte in de richting van de aanpalende woning. “Zou Angèle...?”

“Best mogelijk,” vulde Bartholomeus aan. “Met haar eeuwige optimisme. ‘Het zal wel lukken’, ja ja, die gelooft nog in sprookjes. En nu wil ze er misschien vanaf, nu ze al tien van die bleitmachines in huis heeft.”

“Wat nu, Bartholomeus? Wat doen we met die kleine?”

“Goh, we gaan die zeker niet in huis halen,” reageerde hij kribbig. “Wie zet er nu zo’n baby duizenden kilometers ver van huis voor onze deur? Gelukzoekers! Maar niet met ons hé. Ze moeten er maar mee bij hun eigen buren aankloppen.”

Aan de overzijde van de straat keek een man schichtig door de gordijnen. Bartholomeus had het gemerkt en wilde wuiven, maar kon zich nog net op tijd inhouden. Hij zou later wel een thee gaan dringen bij Dave. Zijn vriend Dave, een man van aanzien. Nu niet, nu moesten ze dringend afgeraken van die baby, die nog altijd hevig snikte.

“Ik weet het!” riep Bartholomeus iets luider en triomfantelijker dan in deze situatie gepast was. “We roepen de buurt samen en stellen voor om de straat af te sluiten, zodat die armoedzaaiers hier niet om de haverklap om hulp komen vragen. Het is tenslotte onze schuld niet dat het sukkels zijn.”

“Goed idee, man,” prees Elisabeth het alerte denkvermogen van haar echtgenoot. “En weet je wat? Als we weten waar dingetje hier vandaan komt, sturen we een brief naar zijn of haar burgemeester, dan kan die de ouders verplichten om te verhuizen, want ze hebben dan toch een kamer op overschot. Zo is dat toch?”

“Inderdaad. Profiteurs zijn het!”

“Maar, euh, wat doen we ondertussen met dit pakje?”

“Kom, Elisabeth, doe de deur dicht vóór iemand iets gemerkt heeft!”

***

Het was wachten op wijzen uit het oosten.



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post690

Guy

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken za, september 19, 2015 17:58:00

Een avond in juli. Het schermpje van de smartphone licht op. Een bekende naam en toch geheel onverwacht, want ik had hem al een tijdje niet meer gezien of gehoord, had wel van een vriend vernomen dat hij zwaar ziek was geweest. Guy. Ooit waren we heel close, woonden zelfs een tijdje met nog vier andere twintigers en prille dertigers onder hetzelfde lekkende dak. 'The Young Ones', zo noemden vrienden ons en ze gaven ons hooguit drie maanden samen. Het werd bijna drie jaar. Maar zoals dat zo vaak gaat: het contact verwaterde. Elke keer dat we elkaar zagen waren we echter in een vingerknip opnieuw even close, hartelijk, respectvol.

De stem aan de andere kant van de lijn klonk gebroken, versmoord, emotioneel. En toch ook strijdvaardig. "Ja, Frank, waar moet ik beginnen? Vorig jaar had ik de Ten Miles gelopen in een zeer behoorlijke tijd voor een man van zestig. Maar toen kreeg ik overal pijn en een paar weken later stelde men de diagnose: blaaskanker. Chemo. Afzien. Herstellen. Maar nu zijn de kankercellen verdwenen. In augustus heb ik nog een check-up en dan hoop ik dat ik genezen wordt verklaard. Zeg, man, we moeten dringend eens afspreken. Ik trakteer op een etentje." We spraken af dat hij me half september zou terugbellen, ik had veel werk en moest ook nog een boek schrijven. Druk druk druk.

Vorige dinsdag, tien over zes. Ik zit in de wachtzaal bij de huisarts — pijntje links, kuchje rechts — en zie de bekende naam weer oplichten. Ik denk: ik bel straks wel terug, ik moet zo binnen bij de dokter. Terug buiten luister ik naar de boodschap, denkend dat het Guy is en dat hij wil afspreken voor dat etentje. Het is zijn schoonbroer, die mijn naam heeft teruggevonden op Guys telefoonlijst van de jongste maanden. Hij heeft slecht nieuws. Check-up. Uitzaaiingen in het bot. Levensverwachting: drie maanden tot een jaar. In realiteit: niet eens een maand. Dood. 61. Zaterdag afscheidsplechtigheid. U kent dat cliché, dat het niet onmiddellijk tot je doordringt. Bij mij is het net omgekeerd. Neus op de feiten. Shock. Maar ook, heel egoïstisch, het besef van je eigen sterfelijkheid. Als iemand die vijf jaar en één dag ouder is veel te jong sterft, kom je zelf ook in de gevarenzone terecht. Guy, verdomme, en we gingen binnenkort eindelijk weer eens afspreken.

***

Madonna. Daar hadden we 't uitgebreid over in de onzalige jaren tachtig, waarin we allebei op zoek waren naar werk, een lief en een beetje zekerheid, maar liefst niet te veel, want het leven moest spannend blijven in de nog vervallen en wat vieze stad Antwerpen. Hij zei: ik hou wel van die voortdurende switch tussen maagd en hoer. Ik zei: het is allemaal marketing, want dat had ik ergens gelezen en het klonk wel goed. Hij zei: zwart. Ik zei: wit. Maar na een tijdje schakelde hij over op wit en ik op zwart. Zo ging dat: discussies met Guy. Het begon altijd bloedernstig en het eindigde in grenzeloos ouwehoeren. Omstanders begrepen er geen snars van.

We gingen samen naar Koyaanisqatsi, waren danig onder de indruk en gingen vervolgens een hele avond doorbomen over het leven, de zin ervan, de onzin die nodig is om te kunnen overleven, en alles daartussenin. We vonden het beiden een meesterwerk, om verschillende redenen. Ik geef toe: soms nam ik een ander standpunt in dan ik écht meende, puur voor de discussie. Ik ben ervan overtuigd dat hij dat ook deed. En het gerstenat werd in hoog tempo aangevoerd.

Daarom hield ik van hem. Hij kon serieus zijn, bloody serious, zeker als het over politiek en economie ging, maar de nonsens was nooit ver weg. Een neef beschreef hem in een afscheidsrede als een dandy, een koppigaard, een zeer fiere man die zijn haar zwart bleef verven tot op het eind, iemand die zelden een inkijk gaf in wie hij werkelijk was, een speelvogel, charmeur, man van uitgesproken meningen. Ik dacht: hij is het, zo heb ik hem ook gekend. Bereisd. Belezen. Vrijgezel, al wist je dat nooit zeker. Had elke film gezien, elk boek gelezen, elke cd beluisterd, kende zijn lievelingsland Brazilië door en door.

En ja, we moesten dringend eens afspreken.

***

Geen flard van de soundtrack van Koyaanisqatsi op de plechtigheid. Geen Madonna, wat me toch wel wat tegenviel. Wel enkele mij onbekende Braziliaanse songs (voor mijn verjaardag gaf hij me wel eens een cd van een Braziliaanse schone die ik na één beleefde luistersessie ergens diep in mijn collectie opborg), Sodade van Cesaria Evora, Keep me in your heart for a while van Warren Zevon. Zal ik doen, Guy. Het mag zelfs een hele wijl zijn.

U daar, als u dringend nog eens moet afspreken, doe het dan ook. Beschouw die 'dringend' als een gebod. Je weet maar nooit. Voor je 't weet zit je in een kleine aula te luisteren naar goed bedoelde toespraakjes die zelden tot de essentie doordringen en die niet op kunnen tegen een persoonlijke herinnering aan een oude makker die zo mooi naast het leven kon leven en dat zo intens deed dat het een zeer eigenzinnig kunstwerkje werd, dat leven.

Rust zacht, Guy.



  • Reacties(1)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post672

Efficiëntie

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken ma, juni 08, 2015 12:21:20
'Efficiency efficiency they say / Get to know the date and tell the time of day', zong John Cale een jaar of veertig geleden in 'Paris 1919'. Toen was het een speelse vermelding in een cryptisch lied over een onbereikbare, spookachtige verschijning, vandaag is het vooral bloedernstig. Alles draait om efficiëntie. Efficiëntie die het ons allemaal makkelijker moet maken, zo luidt de officiële uitleg. Maar eigenlijk is het de bedoeling dat 'zij' (bedrijfsleiders, aandeelhouders, kringen waar 'wij' zelden toe behoren) meer winst maken en dat 'wij' de valse indruk krijgen dat we er zelf ook beter van worden.
Ik maakte me de bedenking toen ik stond aan te schuiven om tickets te kopen voor een boottocht op het Gardameer. Er zat één mannetje achter het loket en een collega van hem vroeg aan de 'bootvluchtelingen', voornamelijk toeristen die drieënhalf woord Italiaans spraken, waar ze naartoe moesten, waarna hij Loketman briefte wanneer ze aan de beurt waren. Nou, dat ging vlot! Geen misverstanden, niet met handen en voeten moeten uitleggen waar je wilde aanmeren, geen gedoe met een automaat die je muntstukken niet wil aanvaarden. Ik dacht: stel dat hier een automaat staat, dan mist de helft van de rij de boot of vertrekt die met een kwartier vertraging.
's Avonds stond ik aan te schuiven aan een bemande ('bevrouwde', eigenlijk) kassa van een supermarkt. Naast me bevond zich de selfscan-kassa, de 'Laten-we-de-klant-de-illusie-geven-dat-wat-hij-zelf-doet-beter-doet-en-intussen-vier-personeelsleden-op-straat-zetten-om-de-aandeelhouders-te-behagen'-ingreep van de supermarktbonzen van deze wereld, en dat ging allesbehalve verbazend goed vooruit. Om niet te zeggen: ik stak twee selfscan-adepten voorbij en moest me inhouden om geen zegegebaar te maken.
Ook thuis valt me dat voortdurend op. Als ik aan mijn treinhalte, in het lieftallig ingedommelde Tollembeek, een ticket wil kopen, móet dat - op straffe van een fikse boete en hoongelach - aan een automaat gebeuren. Eén keer op vier is die defect, de andere keren duurt het meer dan een minuut voor ik bediend ben (en dan mag ik niet abusievelijk op een verkeerde toets drukken). Ik kan misschien ouderwets klinken, maar ik heb nog liever een warhoofd met een ochtendhumeur voor me zitten, dan een humeurige machine die mijn geld terugspuwt. Ik ben zelfs bereid iets meer te betalen voor service die niet ontmenselijkt werd, al vraag ik me tegelijk ook af waarom ik dat zou doen: die service zit namelijk al in de prijs, alleen willen de dames en heren daar nog enkele centjes extra aan overhouden, kwestie van de eurotekens in hun ogen te voederen.
Ach, de ene efficiëntie is de andere niet. 'Zij' content, 'wij' steeds minder. Dat is effectief zo.



  • Reacties(1)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post650

Aftelrijmpje

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken ma, mei 25, 2015 14:03:11

En dan heeft die kwieke, haast schalkse, zelfs ietwat uitdagende tred, meer schrijden dan stappen, plaats geruimd voor voorzichtig schuifelen. Van houvast tot houvast, op zoek naar een evenwicht, hoe wankel ook. Even niet goed opgelet of de harde realiteit niet onder ogen durven zien, ik weet het niet zo goed, maar ik had het niet zien aankomen. Misschien wou ik het gewoon niet zien, zit ik nog volop in de ontkenningsfase. Maar het beeld heeft zich nu wel op mijn netvlies gebrand. Zoals het me ook opviel dat het deugnietachtige sarcasme langzaam is overgegaan in berustend cynisme.

Het leven is een optelsom van gebeurtenissen, ervaringen en emoties, tot het bijna ongemerkt overgaat in een aftelrijmpje. Van optellen naar aftellen, het gebeurt in een vingerknip, een oogwenk. Even met de ogen knipperen en het is er. En het rijmt niet echt, net als het leven zelf, dat genadeloos voorbijvliegt. Waar is die teletijdmachine van professor Barabas wanneer je hem nodig hebt?



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post645

Als het werk stopt

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken za, mei 16, 2015 12:34:57

(Onderstaande paragrafen vormen het begin van hoofdstuk 1 van mijn boek 'Als het werk stopt', waarin ik werkzoekende vijftigplussers en arbeidsmarktdeskundigen aan het woord laat over de problematiek van oudere werknemers. In dat eerste hoofdstuk vertel ik mijn persoonlijke verhaal. In dit uittreksel eindig ik op het ogenblik dat het werk begon. De rest kunt u in het boek ontdekken - zij het met een plotse opstoot van commerciële flair.)

Toen ik acht was, wilde ik sportjournalist worden. Dat was al heel snel duidelijk voor mijn ouders, want ik lag op het kamerbreed tapijt voor de televisie voetbalwedstrijden te spelen met metalen spelertjes die ik van een tafelvoetbalspel had losgewrikt. Geel-zwart tegen rood-wit, waarbij de roodwitten slechts met zijn tienen waren. Een van die metalen mannetjes was zoekgeraakt en werd dan maar vervangen door een rondbuikig Lego-ventje. Rond het veld met zijn denkbeeldige lijnen had ik kartonnen reclameborden met handgeschreven productnamen gedrapeerd. Het zag er voldoende geloofwaardig uit, vond ik zelf.

Rik De Saedeleer was mijn icoon van die tijd. De stem van het voetbal, toen nog in zwart-wit. Ik bediende dus niet alleen op mijn eentje eenentwintig-en-een-halve voetballertjes, ik gaf er ook nog eens luidop commentaar bij en bootste joelende supporters na. Voetbal, een feest. Tv-kijken was voor mijn ouders op dat moment minder een feest, durf ik jaren later te veronderstellen. O ja, mijn ploeg heette TAF, naar een merk van sigarenbanden dat mijn vader toen verzamelde. TAF werd keer op keer kampioen, terwijl de tevreden fans 'T-A-F! T-A-F!' scandeerden.

Je hebt van die tieners die al heel snel weten wat ze met hun leven willen aanvangen. Ik niet. De droom om sportjournalist te worden lag zo ver buiten mijn bereik, dacht ik, dat het niet meer dan een droom bleef. Ik volgde braaf handel aan het Gemeentelijk Handelsinstituut in Merksem, halfweg de jaren zeventig nog geen deelgemeente van de fusiestad Antwerpen, en pas rond mijn zeventiende wist ik dat mijn toekomst niet achter een bureau lag. Toch niet met een rekenmachine bij de hand.

Ik ging aan het RITCS studeren, toen nog met de 'C' van 'cultuur in de benaming, en koos in al mijn dwarsigheid voor de afdeling Sociale Communicatie. Het kneusje van de opleidingen, want elk jaar zaten er maar een paar studenten in die richting, ambitieuze types die journalist of cultuurambtenaar wilden worden, al lag de nadruk toch op de journalistiek. Na twee gemeenschappelijke jaren - oké, ik geef toe: het werden er in de praktijk drie - kwamen de twee specialisatiejaren, waarin ik de helft van de tijd gemeenschappelijke vakken met de afdelingen Film, Radio & Televisie en Toneel volgde en de andere helft alleen in mijn afdeling zat. Die 'alleen' mag u letterlijk nemen, ik was de enige die voor Sociale Communicatie had geopteerd. De andere studenten wilden later wereldberoemd cineast worden, of befaamd dramaturg, of desnoods tv-regisseur. Geen journalist, wie wil dat nou?

In het laatste jaar nam Maurice De Wilde een kwart van de lesuren voor zijn rekening. U moet zich dat voorstellen: 1981-1982, de reeks over 'De Nieuwe Orde' beroerde net de Vlaamse gemoederen en ik zat daar alleen tegenover die Grote Journalist, die vier uur ononderbroken les gaf en ondertussen rookte als een Turk. Een mentor werd hij. Niet verwonderlijk dat ik mijn burgerdienst - niemand zou me dwingen om braaf te gehoorzamen in het leger! - bij de BRT wilde doen, op de dienst Volwassenenvorming, waar De Wilde de reeksen over de collaboratie voorbereidde.

Tussen de dag dat ik afstudeerde en het moment dat mijn burgerdienst zou aanvatten, moest ik werkloos toekijken. Dat betekende in die dagen: een jaar wachten op een eerste uitkering, dan elke dag gaan stempelen. Iedere dag op een ander tijdstip nog wel, want van stigmatiseren en controleren wist de overheid alles in de woelige en uitzichtloze jaren tachtig. Ik begon intussen te schrijven voor kleine bladen, onder meer het gereputeerde De Nieuwe, waaraan een aantal uitermate kritische, prachtige linkse pennen meewerkten. Et moi. A rato van zevenhonderd vijftig frank per stuk; 18,75 euro voor wie vergeten is hoe dat weer zat met dat omrekenen. Een habbekrats, maar wel een ontzettend fijne leerschool. Uiteindelijk zou ik pas vanaf juni 1984, na bijna twee jaar werkloos te zijn geweest en na een ultiem boos telefoontje van De Wilde naar een of ander ministerie over die lange wachttijd, dagelijks naar de Reyerslaan 52 mogen pendelen.

Zoveel respect ik had voor de journalist en tv-maker Maurice De Wilde, zo moeilijk had ik het om met de man samen te werken. Zeker nadat ik de euvele moed had gehad om voor mijn bijdrage over de jeugdcollaboratie in een van zijn boeken over 'De Collaboratie', die werden uitgegeven bij een privé-uitgeverij, een bescheiden deel van de auteursrechten te vragen. Er volgde een beleefd conflict, met een resem officiële nota's heen en weer, waarbij ik zelfs gelijk kreeg van de voorzitter van de raad van bestuur van de BRT, en vervolgens een onvermijdelijke mutatie naar een jeugdhuis in Antwerpen, in een gebouw waar FM 2000 gehuisvest was, de lokale radiozender waar ik verantwoordelijk was voor de informatieve uitzendingen.

Eind februari 1986 was mijn burgerdienst afgelopen en voelde ik me even uitgebuit en gekleineerd als een doorsnee milicien, alleen had ik dubbel zo lang moeten dienen: twintig maanden in plaats van tien. Het was crisis, de regering had kort voordien bijzondere machten uitgevaardigd, 'volmachten' in de volksmond, waardoor ze het parlement straal kon negeren, en er werd hevig actie gevoerd tegen het neoliberale beleid. Voor een jongeman van 27 zag de toekomst er niet bepaald rooskleurig uit. Herkent u het een beetje?

Een eerste werkervaring duurde welgeteld twee dagen, bij een bruut van een zaakvoerder die in opdracht bedrijfsfilms maakte en de hele dag zijn werknemers kleineerde in het bijzijn van alle anderen. Ik zag me echt niet langer voor zo'n slavendrijver opdraven, dat pover contract ondertekenen hoefde niet eens voor mij.

Ik solliciteerde dat het een lieve lust was: per handgeschreven brief, want zo ging dat toen nog. Bedrijven mochten in hun vacatures nog leeftijdslimieten opleggen en dat deden ze dan ook gretig. De eisen lagen onrealistisch hoog: voor sommige jobs mocht je maximaal 25 jaar oud zijn, maar moest je minstens tien jaar ervaring hebben en vanzelfsprekend perfect zeventalig zijn. Dat soort gevoel kreeg je tenminste nadat je de vacature gelezen had.

Ik greep net naast een job als copywriter bij Colruyt, maar werd daardoor opgevist als kandidaat voor een baan op de marketingafdeling van dochterbedrijf Dolmen Computer Applications. De tests waren prima, het gesprek verliep rimpelloos. Op het eind vroeg mijn toekomstige werkgever hoe lang ik van plan was voor hem te komen werken. 'Tot mijn pensioen?', vroeg ik ietwat verbouwereerd. Daar werd hartelijk om gelachen door de twee mensen aan de andere kant van de tafel, die al wel wat jobhoppers hadden zien passeren in het era van de yuppies en de carrièrejagers. Op 27 mei 1986 mocht ik eindelijk beginnen werken, bijna vier jaar nadat ik met voldoening was afgestudeerd.



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post641

Evelien S.

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken do, april 16, 2015 11:37:21

There's a killer on the road / His brain is squirmin' like a toad / Take a long holiday / Let your children play / If you give this man a ride / Sweet family will die / Killer on the road, yeah

Een jonge vrouw is gestorven. Dertig was ze, een leeftijd waarop het leven pas echt zou mogen beginnen. Jeugdige overmoed wordt afgeschud, volwassenheid omarmd, zo hoort dat te gaan. Niet zo voor Evelien S. Zij is er niet meer. Ik kende haar niet, wist niet dat ze ongeneeslijk ziek was (de verschrikkelijke killer on the road K), werd me pas bewust van haar bestaan door haar ultieme blogpost, die maandag verscheen, minder dan vierentwintig uur voor haar dood. Een afscheid in stijl.

Ze schrijft over de verjaardagstress die ze had toen ze op het punt stond dertig te worden. 'Het gevaar loerde overal. Ik werd oud. En dertig worden was de eerste stap in de afgrond'. Belachelijk natuurlijk, maar wel typisch voor die leeftijd. Je denkt als lezer: Evelien, meisje, get a life, dertig is niets, net zomin als veertig of vijftig, ga toch gewoon door. Maar dan lees je verder en vervloekt ze zichzelf dat ze dertig worden niet heeft omarmd. Dat ze niet 'Laat maar komen' heeft geroepen. 'Want nu zit ik er mee. Voor altijd dertig jaar oud. Een 31ste feestje zit er niet meer aan te komen. Neen, een cirkel is niet eindeloos'.

En dan ga je verder op zoek in haar tijdslijn naar aanwijzingen voor deze cryptische omschrijving en ontdek je dat deze jonge vrouw, die zo worstelde met het overschrijden van die onschuldige leeftijdsbarrière, van dag tot dag moest leven. Overleven, eigenlijk. There's a killer on the road. Hij is afgestapt bij haar huis. K is in the house. Onwezenlijk moet het zijn om zo jong nog zo'n hard verdict te moeten aanhoren.

Gisteren stond er een kritische beschouwing over de perverse effecten van de sociale media in De Morgen. Gisteren ook werd Evelien S. herdacht door bekenden en onbekenden, vrienden voor het leven en vrienden voor even. Mannen en vrouwen tekenden hartjes op hun pols, zetten er de hashtag #teamevelien bij en verspreidden dit op Twitter, Facebook en Instagram. Volkomen zinledig, want je brengt er haar niet mee terug en je zorgt er al evenmin voor dat al die andere K-patiënten, jong en oud, genezen worden. Maar niet alles hoeft zin te hebben in dit leven. Dit was zo intens mooi, zo geweldig empathisch, zo sociaal, dat je even weer kon geloven in de positieve kracht van de sociale media. Even, want die hartelijke, warme mensen zijn diegenen die anders ook al hartelijk en warm zijn. Zij zijn het waarom je op de sociale media zit en er besluit te blijven. Tussen alle absolutistische meningen, gore ranzigheid en leeghoofdige opmerkingen door zijn zij het die de moeite waard zijn.

Hartje voor Evelien S. Hartjes voor die hartelijke, warme mensen die haar gepast herdachten en die tranen wegpinkten bij het droevige lot van iemand die ze nauwelijks of niet kenden. Klein, bang hartje voor de sociale media. Het is er niet al kommer en kwel, maar de volgende storm staat ongetwijfeld weer op losbarsten.

Dat is nu even niet belangrijk. Laten we dit moment even vasthouden, koesteren en vermenigvuldigen, als verzet tegen alle killers on the road. Voor Evelien S.

Riders on the storm / Into this house we're born / Into this world we're thrown / Like a dog without a bone / An actor out on loan / Riders on the storm.

(tekstfragment uit Riders On The Storm van The Doors, 1971)



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post625

Ontmoetingen

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken di, april 07, 2015 12:29:21

Let's go walkin' up that mountainside / Look down in the valley down below / And we survey this wondrous scene.

Op het gevaar af dat u mij ervan verdenkt dat ik mezelf Martin Luther King-allures aanmeet: ja, ik heb de heuvelrug die Carrière heet tot op redelijk grote hoogte beklommen. Mijn sociale status steeg bij elk nieuw visitekaartje, dat telkens nog net iets meer blonk dan het vorige. Functietitels gingen opeens een hele lijn beslaan, in drie talen nog wel, gewone belettering werd zilver, zilver werd goud, dat soort dingen. Aanzien werd met een hoofdletter geschreven en niet alleen bij het begin van een zin. De lucht werd ijler bij elke volgende stap hemelwaarts. Dat heb je met gebakken lucht in een zuurstofarme omgeving, alleen besef je dat niet wanneer je Carrière probeert te bedwingen.

Je ziet op de duur die wonderbaarlijke vallei niet meer. Je bent zo druk bezig om je een weg naar de top te banen, met het ellebogenwerk en het 'politieke' gekonkelfoes dat daarbij hoort, dat je geen oog meer hebt voor de schoonheid van de omgeving. Of de lelijkheid, want die negeer je even straal. Niet dat ik een haai was, zo iemand die openlijk naar boven likt en beneden trapt en stiekem zijn bazen zit zwart te maken, daarvoor ben ik te eerlijk. Typisch Waterman, naar het schijnt, mocht u in die astrologische onzin geloven.

Van driekwart hoog op de heuvel naar beneden tuimelen is pijnlijk. Er waren gelukkig weer die ellebogen om de val enigszins te breken, maar toch. Je voelt het niet aankomen. Je ziet alleen de zon, niet de onoverbrugbare afstand er naartoe. Icarus deed het je al voor, maar ach, wie ligt er wakker van een mythologische figuur? Je vindt die gevulde bankrekening heel aardig, ook al moet je zoveel compromissen met jezelf en je diepste overtuigingen sluiten dat het al snel compromitterend wordt. En confronterend.

***

De voorbije drie jaar waren louterend. Teruggeworpen worden op jezelf is best hard. Waar is je netwerk wanneer je het nodig hebt? Wat stelt je curriculum voor in tijden van crisis? Wie ben ik nog? Wie wil mij nog? Waar zijn al die collega's waarmee je dacht een hartelijk contact te hebben, dat uiteindelijk niet meer bleek te zijn dan functioneel? Aarrggh, het verschrikkelijke woord 'functioneel', dat heel precies aangeeft hoe je leven lange tijd in elkaar heeft gezeten: functioneel, dribbelend van vergadering naar budgetcontrole naar maildiscussie naar functioneringsgesprek naar een nieuwe vergadering. Ad infinitum. From here to eternity.

Ik ging vervolgens leven als een kluizenaar, verankerd aan zijn toetsenbord, gehoorzamend aan de stemmen in zijn hoofd ('Gij zult dringend werk zoeken', 'Gij zult veel schrijven', 'Gij zult uw leven ondergaan'), tot het moment aanbreekt dat je Peggy Lee-gewijs Is that all there is? schreeuwt en het antwoord al heel snel komt: neen, dit is zeer zeker niet all there is. Een iel stemmetje fluisterde zacht maar kordaat: open je oren, je ogen, je hart, ga buiten waar het echte leven is, ontmoet andere mensen dan diegene die je al kent.

***

'Ont-moeten', las ik een tijdje geleden in een Phil Bosmansachtige leuze, waarvan ik de rest al uit mijn geheugen gebannen heb. Pseudopsychologen en woordmarktkramers leggen er de nadruk op dat dit het tegenovergestelde betekent van 'moeten'. Wat een lulkoek, maar goed, het komt dan ook van luitjes die alleen maar kunnen ont-goochelen: de magie uit woorden verwijderen. Tijdens een ontmoeting moet juist heel veel: je moet jezelf proberen te zijn, oprechte belangstelling tonen, veel praten en nog veel meer luisteren, indrukken opzuigen, de valkuil van de oppervlakkigheid vermijden. Maar het is o zo boeiend als het onvoorwaardelijk gebeurt, zonder verborgen agenda.

Twee ogen die veel te lang op waakstand hadden gestaan, gingen wijd open. Ik heb de voorbije maanden meer oprechte mensen ontmoet dan in de twintig jaar daarvoor. Klinkt hard, maar het is wel zo. Mensen die ik voordien niet kende en die ik zonder mijn tuimelpartij van die heuvel en mijn plots ongeremde aanwezigheid op de zo verfoeide sociale media nooit had leren kennen. Zou zonde geweest zijn. In plaats van te zeuren over tijdverlies in de file van het leven probeer ik nu de platge(t)reden paden te ontwijken. Het rijplezier wordt er alleen maar groter om.

Doet me eraan denken dat ik snel nog eens moet afspreken in plaats van hier weer amechtige pogingen te doen om samenhangende zinnen bij elkaar te tokkelen.

***

(Misschien moet ik toch drie lijntjes toevoegen aan mijn cv. Wil werken voor een redelijk loon, maar zoekt vooral een prettige ervaring in een sympathieke, optimistische, mensvriendelijke omgeving. Heeft geen carrièreplanning meer voor ogen, maar wil zich honderd procent smijten op een inhoudelijk razend interessante job. Heeft tegenwoordig meer oog voor inhoud dan vorm en is daar ontzettend blij om.)

And when heart is open / You will change just like a flower slowly openin' / When there's no comin' / And there's no goin'.

(Tekstfragmenten uit 'Satisfied' en 'When heart is open', Van Morrison, 'Common One', 1980. Ja, ik ben een fan van Van.)



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post619

Het spijt me, José

Memories & mijmeringenGeplaatst door Frank Van Laeken ma, april 06, 2015 12:47:17

Bekentenis: ik hou niet van feestdagen. Ik mis mijn kranten, ik voel me slachtoffer van een stilte die me wordt opgedrongen door lieden die ooit vanuit hun geloofsovertuiging hebben beslist dat iederéén, ook de niet-gelovigen, een dag van rust moeten respecteren. Versta me niet verkeerd: ik wil die tien vrije dagen niet afnemen, wel integendeel, maar ik zou het veel prettiger vinden mochten mensen individueel kunnen bepalen wanneer ze die nemen in plaats van dat die opgelegd worden door de overheid of een geloof waar ze verder niets mee te maken willen hebben.

Voordeel van zo'n verplichte nuldag is dan weer dat je wat achterstallige weekendlectuur kunt inhalen. Zo kwam ik in De Standaard Weekblad uit bij een fijn interview met de fijne mens José De Cauwer, de slimste en beste wielerco-commentator van Vlaanderen en zeer wijde omgeving. Aimabele mens ook, mocht ik ondervinden in de jaren dat ik hoofdredacteur Sport was op de VRT. Iemand om te koesteren, als medewerker. Waar je gezellig mee kon doorbomen over de koers en het leven, dat hem niet altijd even goed gediend had. Daar hoorde enig gerstenat bij, zo doen levensgenieters dat.

En toch... Toch lag deze fijne mens aan de basis van een van de moeilijkste beslissingen die ik ooit moest nemen. Laten we zeggen dat ze in de Top 5 van Moeilijke Beslissingen Privé én Professioneel staat. Ergens half april 2001, vlak na een Scheldeprijs die hij mee van commentaar had voorzien, kwam mij ter ore dat de toenmalige bondscoach genoemd werd in een dopingaffaire rond een amateurwielrenner. Er was sprake van amfetaminepreparaten in een brievenbus, waar de tamtam uiteraard veel meer van maakte dan nodig was.

Ik zat wel met een probleem: een medewerker van de openbare omroep werd genoemd in een affaire waarmee je als omroep die leeft van belastinggeld niet wil geconfronteerd worden. Ik overlegde met de algemeen directeur Televisie, mijn rechtstreekse chef, en omdat het voorlopig om geruchten ging die nog niet in de openbaarheid waren gekomen - er waren nog geen sociale media of nieuwssites, de traditionele media bepaalden nog het ritme van de nieuwsdag - besloten we nog even om niets te doen. Dit was een zaak voor het gerecht, of net niet, dat zou moeten blijken. Als het in de pers zou komen, bleef er echter niets anders over dan hem te schorsen, concludeerden we eensluidend, stiekem hopend dat het niet zover zou komen.

's Zaterdags verslikte ik me in mijn eerste koffie van de dag. Een krant bracht het hele verhaal, met naam en toenaam, met heel veel voorwaardelijke wijs, maar goed: dit was het sportnieuws van de dag, alweer een dopingzaak. De Festina-affaire lag nog maar drie jaar achter ons, het wielrennen kon geen verdere bezoedeling meer verdragen. Voor alle zekerheid belde ik toch nog even met mijn baas, maar zij was niet van gedacht veranderd, net zomin als ik trouwens.

Volgde een pijnlijk telefoontje, waarbij ik zachtjes bevend het bekende nummer intikte. 'Het spijt me, maar we zullen je tijdelijk op non-actief moeten zetten.' Een zucht, lange stilte, berusting, een droog 'Oké, dan'. Michel Wuyts moest die Amstel Gold Race alleen verslaan of werd er alsnog een invaller opgetrommeld, ik weet het begot niet meer. Ik voelde me rotslecht, omdat ik een fijne mens een droge, vervelende boodschap had moeten brengen. Ik voelde me professioneel wel oké, omdat ik heel sterk van 'Do the right thing' doordrongen was en dit mij de right thing leek, ook al wist ik dat hij in een toen al door perceptie gedomineerde samenleving - waarin 'Je bent onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt' zomaar onder de mat geveegd wordt - door de lynchzuchtige meute veroordeeld zou worden.

Een tijdje later mocht José wel co-commentaar geven bij de commerciële concurrent, terwijl hij door de VRT en de wielerbond voor onbepaalde tijd geschorst was. Humo wijdde daar zowaar een pagina aan, waarbij ik op het eind omschreven werd als 'heiliger dan de paus'. Het klonk als een belediging, maar ik aanvaardde het als een compliment. In sommige functies moet je harde beslissingen nemen, met je hersenen, ook al druisen ze in tegen wat je hart wil. Had ik maar geen hoofdredacteur moeten worden!

Niet zo lang daarna bleek de zaak veel minder om het lijf te hebben dan oorspronkelijk vanuit gerechtelijke- en mediakringen geïnsinueerd. De VRT en de wielerbond maakten de tijdelijke schorsing ongedaan, bondscoach De Cauwer hielp Tom Boonen mee aan de wereldtitel en gaf bij ontelbare koersen deskundig commentaar. Iedereen blij. Hij zal ook wel binnensmonds gevloekt hebben op het ogenblik dat mijn opvolgster en de nieuwe VRT-verantwoordelijken veel toleranter omsprongen met ethiek toen een andere, in veel ernstigere dopingzaken betrokken ex-coureur later wél vrolijk zijn zelfstandig bijberoep mocht blijven uitoefenen. Dat zal gestoken hebben. Mij stak het alleszins. U moet me daarom nog geen heilige noemen en al zeker geen paus.

'Als was het een spelletje 'kijken zonder te knipperen', zo staart hij me plots indringend aan', schrijft de interviewer in De Standaard Weekblad. Ik herken dat gevoel. Een paar jaar later zat ik, als hoofdredacteur van Kanaal 3, de regionale tv-zender die tegenwoordig TV Oost heet, tegenover José in een baanrestaurant in Waasmunster. We spraken over samenwerken, maar ik voelde dat er nog wrok zat, ongemak, wantrouwen, en ik begreep hem volkomen, al hoopte ik dat hij mij ook een beetje begreep intussen. Ik dacht: fijne mens, wat jammer toch dat die zaak tussen ons is komen te staan.

'Ik kan heel veel mensen recht in de ogen kijken', zegt de man die wielrennen ademt in het interview. 'Héél veel. Wat niet iedereen kan zeggen. Maar ik wist wat die zaak zou doen met al wat ik intussen had opgebouwd.' Ik proef de verbittering in die woorden en ik heb daar alle begrip voor. Genoemd worden in een gerechtelijke affaire gooit een mensenleven overhoop, dat hebben we vorige week nog van minuut tot minuut kunnen volgen. Schuld en onschuld worden daarbij plots relatieve begrippen: het is de perceptie die telt en die is ongenadig.

Het spijt me, José, al zou ik vandaag krek dezelfde beslissing nemen. Een fijne mens blijf je hoe dan ook.



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post618
« VorigeVolgende »