Maandans

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Wereldvreemd

SportGeplaatst door Frank Van Laeken za, december 03, 2016 12:55:28

"Racisme", zo definieert mijn beduimelde exemplaar van Van Dale uit 1992, is "de opvatting dat het ene ras superieur is aan het andere en, daaruit voortvloeiend, dat ten aanzien van het ene ras andere maatstaven kunnen (mogen) worden aangelegd dan ten aanzien van het andere". 'Discriminatie op grond van het ras' en 'uiting van rassewaan', voegt het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal dat ik een paar maanden na Zwarte Zondag kocht, er nog aan toe. Superioriteitsgevoel, discriminatie, rassewaan: het is me wat. Als zelfs een taalbijbel in termen van goed en kwaad begint te spreken, is het duidelijk. Dit stinkt. Racisme deugt niet. Je moet ofwel een onverbeterlijke racist zijn, ofwel een wereldvreemde snuiter, wil je dat niet inzien.

Racisme is zo verderfelijk en verwerpelijk dat ik er een flink deel van de zomermaanden voor over heb gehad om, samen met Paul Beloy, het boek Vuile zwarte klaar te stomen, over racisme in het Belgische voetbal, maar ook ver daarbuiten. Ik weet niet of het dankzij ons boek is, dan wel omdat de samenleving er op dit ogenblik gevoeliger voor is, dat het thema de voorbije tijd wel vaker de media haalt. Zo ging KRC Genk-speler Leon Bailey vorig weekend in discussie met z'n eigen fans: volgens z'n vader werd ie bespuwd en racistisch bejegend, de supporters ontkennen dat. Het is niet aan mij om hier partij te kiezen, maar het is goed dat het open en bloot besproken wordt.

Meryame Kitir, fractieleidster voor sp.a in de Kamer en zelf recent nog het mikpunt van een aangebrande opmerking van Open VLD'er Luk Van Biesen, schreef een opiniestuk voor De Morgen, waarin ze opriep om racisme ook in het voetbal krachtdadiger aan te pakken. Zij deed dat nadat uit een internationaal onderzoek was gebleken dat er in België in veertig jaar tijd nauwelijks iets veranderd is: één op vijf profvoetballers krijgt hier te maken met discriminatie op basis van ras, geaardheid of geloofsovertuiging, waarmee we veel slechter scoren dan de ons omringende competities.

En dan was er nog die ene supporter van het modale Racing Westmeerbeek, uit de Antwerpse vierde provinciale, die 'Bananenplukker', 'Zwarte aap' en 'Kruip terug in uw boom' had geroepen naar Kossi Lambrechts, een Belgisch-Togolese voetballer van KFC Hallaar. Een agent in burger had dat opgemerkt en er een proces-verbaal van opgesteld, het parket eist een geldboete van 1.800 euro, de rechter moet op 21 december oordelen. De dader heeft zich intussen verontschuldigd, al beweerde hij dat ie enkel 'Zwarte, doe eens niet zo belachelijk' had geroepen.

Mijn hart maakte een bescheiden vreugdesprongetje, tot ik de repliek van de raadsvrouw van de dader las. Volgens haar was er geen sprake van racisme, kon ik in Het Laatste Nieuws lezen. "Hij woonde de voetbalwedstrijd bij en ging volledig op in het spel. Mijn cliënt wou meneer niet beledigen. Rond een voetbalplein worden wel vaker dingen geroepen tegen spelers van vreemde origine. Gaan we hen dan allemaal voor de rechtbank brengen?"

***

Ik liet de woorden even bezinken en dacht: wat zou deze advocate repliceren als haar cliënt een seksueel roofdier was geweest? "In een steegje worden wel vaker vrouwen aangerand door verkrachters. Gaan we hen dan allemaal voor de rechtbank brengen?"

Of een witteboordcrimineel. "In de samenleving worden wel vaker sommen geld verduisterd. Gaan we hen dan allemaal voor de rechtbank brengen?"

Een moordenaar, misschien. "Er worden wel vaker moorden gepleegd, ook bij ons in België. Gaan we dan alle moordenaars voor de rechtbank brengen?"

Doodrijder. "Er gebeuren nogal veel ongevallen met dronken chauffeurs. Gaan we hen dan allemaal voor de rechtbank brengen?"

***

Ja, ja, ja, ja en ja. Zeer graag, ja. In een rechtsstaat moet recht worden toegepast. Racisme is verboden, net als geweld, diefstal en dronken rijden. We moeten wat meer de hakken in het zand durven te zetten, niet te tolerant zijn voor wie zelf intolerant is, streng maar rechtvaardig zijn voor de daders, meeleven met de slachtoffers. Advocaten moeten alle mogelijke rechtsmiddelen uitputten om hun cliënten te verdedigen. De vraag is of wereldvreemdheid een van die middelen hoort te zijn.

Paul Beloy & Frank Van Laeken, Vuile zwarte. Racisme in het Belgische voetbal, Houtekiet, 19,99 euro.



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post747

Blaaskaak

SportGeplaatst door Frank Van Laeken zo, oktober 30, 2016 12:57:59

Stel: je hebt twee voetbaltrainers. De ene heeft altijd wel een bon mot klaar, slaagt er al jaren in om vragen van de media te ontwijken door te antwoorden op niet-gestelde andere vragen, maar komt daarmee weg omdat hij het zo vlot kan uitleggen. Een gladde praatjesmaker, zeggen slechte karakters. Een jobhopper, zo blijkt uit zijn cv. Langer dan drie aansluitende seizoenen was hij nooit aan het werk bij één club. Af en toe mocht hij wel terugkeren bij een vroegere werkgever. Hij is de reden waarom Wikipedia voortdurend financiële steun moet vragen aan zijn gebruikers, zoveel ruimte neemt de lijst van door hem getrainde clubs in. Laten we hem voor de gelegenheid Georges noemen.

De andere is een stillere jongen. Beetje saaie kerel. Áls hij al iets zegt, dan levert dat zelden een oneliner op die je achteraf kunt terugvinden op nieuwssites. Hij blijft in de dugout zitten tot een clubvoorzitter vindt dat het welletjes geweest is. Zelf opstappen? Zo zit hij niet in elkaar. Hondsloyaal, zou je hem kunnen noemen. Ik schreef het al: beetje saai. Hoewel hij drie jaar jonger is dan Georges, oogt hij al twintig jaar als een oude, witgrijze man. Soms zeurt hij, omdat hij vergeten wordt wanneer een club weer eens dringend een nieuwe trainer zoekt. Laten we hem Hugo noemen.

Georges is op z'n 67ste net aan zijn drieëntwintigste avontuur als trainer begonnen. Nog maar eens bondscoach, voor de vijfde keer al, al bleef het beperkt tot drie landen. De laatste keer dat Georges als trainer een prijs heeft gepakt is een kwarteeuw geleden: toen won zijn club de beker. Op zijn erelijst prijken één landstitel en twee bekers, telkens in eigen land. Eén keer werd hij verkozen tot Trainer van het Jaar, in 1990. Lang geleden, toen de oude voetbaldieren nog spraken.

Hugo is 64 en bezig aan zijn elfde opdracht, de eerste als bondscoach, op hetzelfde continent als Georges nog wel. Voor zijn laatste prijs als trainer hoeven we niet zo ver terug te gaan in de tijd: 2004. Hij werd toen landskampioen, iets wat hij voordien al twee keer eerder had gedaan in België. Op z'n schouw staan ook twee replica's van Belgische bekers. Hij werd vier keer verkozen tot Trainer van het Jaar, de laatste keer in 2007, niet eens een vol decennium geleden. Geen enkele collega deed even goed, laat staan beter, sinds die trofee in 1983 geïntroduceerd werd.

Hugo lanceert jonge talenten en geeft hen veel vrijheid en verantwoordelijkheid. Georges kiest altijd voor gevestigde waarden. Hugo laat zijn ploegen als het even kan aanvallend voetballen, Georges opteert meestal voor defensieve zekerheid. Hugo geeft niet graag interviews, hij laat zijn spelers het woord voeren. Georges houdt wel van aandacht en zet zichzelf gaarne op het voorplan.

Waarom Georges wel vooraan op het lijstje staat als er een nieuwe trainer of bondscoach gezocht wordt, en Hugo niet? We houden van babbelaars, ook al houdt wat ze zeggen geen steek. Blaaskaken maken de dienst uit in deze samenleving. Er is geen plaats voor rustige vastheid, wat Herman Van Rompuy u ook probeert wijs te maken. In het voetbal geldt dit nog meer dan elders.

Voorzitters en supporters laten zich graag inpalmen door iemand die wat holle clichés uitbraakt en hen zo een voorspoedige toekomst voorspiegelt. Ze houden van positivo's, want realisten zijn een tikkeltje saai. Spelers zijn in den beginne ook helemaal mee, maar zij hebben die blaaskaken als eerste door. Vandaar dat je in álle bedrijfssectoren ziet dat blaaskaken voortdurend van werkomgeving veranderen. Ze hebben nood aan zelfbevestiging en ze weten perfect wanneer "de mayonaise niet meer pakt". Laten we zeggen: na twee, maximaal drie jaar. Dan zijn ze weg en laten ze doorgaans een puinhoop achter. Après nous le déluge...

Als je 't mij vraagt: ik werk liever onder een Hugo, dan onder een Georges. Maar ik heb het gevoel dat ik een dinosauriër aan het worden ben: de wereld kiest bijna altijd voor een Georges. En als het een beetje tegenzit kiest de wereld binnenkort ook voor Donald, Marine en Nigel. Dat wat ze zeggen nergens op slaat, hoeft geen hinder te vormen: het klinkt zo geloofwaardig, meneer, mevrouw. En we willen verandering, ja, toch?

***

Ik las een interview met Erik Van Looy, waarin de regisseur-presentator vertelde dat hij zich tijdens de rust van een thuiswedstrijd van zijn geliefde Royal Antwerp Football Club altijd laat aftroeven aan het hotdogkraam. Hij komt als een van de eersten toe en wordt altijd als bijna-laatste bediend, omdat er naast en achter hem luidroepers zijn die hun bestelling beginnen te schreeuwen lang voor het hun beurt is en die vaak ook nog eens eerder dan hij met hun portie vettigheid-tussen-een-broodje weglopen.

Ik herken dat. Ik ben ook zo'n welopgevoede jongen die altijd netjes zijn beurt afwacht en elke keer moet vaststellen dat er in de rij achter hem al iemand "Twee pintjes en een bolleke" heeft geroepen. Noem me naïef, maar als ik naast mij aan de toog iemand opmerk die daar al stond vóór ik arriveerde en de barman vraagt eerst aan mij wat ik moet hebben, dan wijs ik naar mijn buurman en zeg "Hij was eerst". Zelfs op het vlak van voorkruipen ben ik gewetensbezwaarde.

Blaaskaken worden eerst bediend, komen het vaakst aan het woord, krijgen meer kansen dan mensen die zich minder of nooit opdringen. Dat komt omdat wij dat met z'n allen wel oké vinden. Misschien moeten we daar eens over nadenken, als samenleving. Want op lange termijn heb je meer aan een Hugo dan aan een Georges.





  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post741

De voetbalwereld blijft maar doordraaien

SportGeplaatst door Frank Van Laeken vr, september 02, 2016 11:52:16

Vier zomers geleden liet Manchester United de rijzige Franse middenvelder Paul Pogba haast voor niets vertrekken. Toenmalig manager Sir Alex Ferguson zag geen toekomst in de speler. Eén miljoen euro volstond voor Juventus om het negentienjarige talent over te nemen.

Twee zomers geleden verkocht Chelsea de Braziliaanse centrale verdediger David Luiz voor 62 miljoen euro aan les nouveaux riches van PSG, een club die sinds een jaar of vijf in handen is van een schatrijke Qatarees en die ik vorige herfst in mijn boek £X€£$$ UNITED. Het geld van het voetbal 'Parvenus Sans Gêne' heb genoemd. Toenmalig manager José Mourinho was de wispelturige krullenbol liever kwijt dan rijk. Drieënhalf jaar eerder had Chelsea Luiz nog voor 25 miljoen euro gehaald bij Benfica.

Zomer 2016: Man. United koopt Paul Pogba terug voor naar verluidt 89 miljoen pond (107 miljoen euro). Andere bronnen gewagen van 120 miljoen euro. Wat de definitieve som ook is: Pogba is plots de duurste voetballer aller tijden. Trek de verkoopsom van 2012 af van de aankoopsom nu en tel het verlies uit: iets tussen de 106 en de 119 miljoen euro, dus.

Zomer 2016: Chelsea koopt David Luiz terug voor naar verluidt 34 miljoen pond (40 miljoen euro). Dat is minder dan de 62 miljoen waarvoor het diezelfde, toen blijkbaar overbodige, speler twee jaar geleden verkocht, maar als je de twee transfersommen bij elkaar telt (25 + 40 miljoen), maakt Chelsea alsnog 'verlies' op de speler.

Van op een afstand zeg ik: wanbeleid. Ofwel waren de managers van toen onbekwaam, wat vreemd klinkt aangezien het over Ferguson en Mourinho gaat. Ofwel zijn de managers van nu onbekwaam, wat we nog niet kunnen beoordelen, aangezien de spelers én de managers zich nog moeten bewijzen (of falen). (Eén van hen is overigens... Mourinho, nu bij United.) Ofwel — en dat lijkt me de meest plausibele uitleg — voeren internationaal gerenommeerde clubs een hapsnapbeleid, zonder visie, zonder gêne, zonder oog voor financiële en sportieve consequenties. Als dit in eigen land zou gebeuren, zou de pers het onmiddellijk geknoei noemen. Laten we die term dan ook aanhouden: geknoei. Het bestuur van Man. United en Chelsea bestaat uit knoeiers. Of beter: de twee grote bazen, Ed Woodward en Roman Abramovitsj, zijn knoeiers. In de normale economie zouden ze worden weggehoond. In het voetbal niet.

***

De clubs uit de Premier League hebben voor een nieuw triest record gezorgd: tijdens de voorbije zomertransferperiode werden er voor meer dan een miljard pond (1,2 miljard euro) transfers gedaan. Ter vergelijking: bij ons wordt 49 miljoen euro al als immens veel beschouwd. Maar laten we appelen met appelen vergelijken en peren met peren. Het Engelse voetbalcontract draait alleen al voor de 'domestic rights' rond de 2,5 miljard euro per jaar, voor twintig clubs. Het Belgische rond de 63 miljoen euro, voor twaalf clubs. De verhouding tussen beschikbaar tv-geld en transferuitgaven ligt dus in Engeland op 2,1, bij ons op 1,3.

Zo bekeken besteedden onze clubs deze zomer meer boven hun stand dan de Engelse. De slechtst verdienende Premier League-club zal eind dit seizoen 136,5 miljoen euro uit de rechtenpot ontvangen. Dat is meer dan het dubbele van alle Belgische clubs sámen.

***

Juventus gaf 90 miljoen euro uit aan de Argentijnse spits Gonzalo Higuaín, vorige seizoenen uitblinker bij Napoli. Juve wist op dat moment al dat het een grote slag ging slaan met de nakende verkoop van Pogba én het verzwakte een potentiële tegenstander uit de Serie A. Goeie deal, denk je dan, want: één klap, twee vliegen. Maar Higuaín wordt binnenkort 29, wat in spitsentaal zoveel wil zeggen als: op z'n hoogtepunt, beter wordt ie heus niet meer, over drie, vier jaar is hij passé. Bovendien stond die Higuaín niet eens op de longlist met 23 genomineerden voor de Gouden Bal, de bekroning voor de beste voetballer ter wereld. Anders gezegd: stel twee topelftallen van 2015 samen en een man van 90 miljoen staat er niet eens in. Conclusie: de voetbalwereld blijft doordraaien. Het wordt gekker met het jaar. Zieke economische sector.

***

Over excessen gesproken. Het Laatste Nieuws rekende voor dat 90 procent van de transfers in de Belgische eerste klasse deze zomer gedaan werden door één makelaar: Mogi Bayat. In mijn boek klaagde ik aan dat we niet ver meer verwijderd zijn van het moment dat makelaars zullen bepalen wat de uitslag van een voetbalwedstrijd is. Ik schreef dat vorig jaar omdat er toen tijdens de Champions League-play-offwedstrijd tussen Valencia en AS Monaco zestien spelers op het wedstrijdblad stonden die verbonden waren of in het verleden hadden samengewerkt met topmakelaar Jorge Mendes. Volgende stap is dat zo'n machtige man in functie van toekomstige deals zal vragen aan 'zijn' spelers om hun voetje terug te trekken, in ruil voor een zakcentje extra. Bij ons is Bayat dé man achter de schermen. Straks gaat die nog elk weekend moeten rondrijden langs acht stadions om er de ploegen samen te stellen. Deze toestand is bijzonder ongezond.

***

Ja, de Rode Duivels hadden best een paar transfers kunnen gebruiken. Een linksback, een rechtsbuiten (Carrasco en Mertens spelen beter vanaf links) en een spits. Helaas, dat kan dus niet. Het was zeer slecht tegen Spanje. Op de eerste twintig minuten na geen druk op de tegenstander. Geen bal, geen geloof, geen beleving, geen passie, geen individuele bevliegingen. Maar laten we Roberto Martínez pas beoordelen op zondag 13 november iets voor elf uur. Na de wedstrijd van die avond tegen Estland moeten we met dominant voetbal twaalf op twaalf gehaald hebben in de WK-voorronde. Moet lukken, uit tegen Cyprus, thuis tegen Bosnië-Herzegovina, uit tegen Gibraltar en thuis tegen Estland, met tussenin nog een oefeninterland in Nederland. Lukt het niet, dan is er stront aan de knikker. Zullen we dat afspreken?



  • Reacties(1)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post733

4 x 140 tekens schuimbekken

SportGeplaatst door Frank Van Laeken za, augustus 13, 2016 13:04:32

Hét beeld van deze Olympische Spelen, zo probeerden opiniemakers mij te doen geloven. Links een Egyptische vrouw in hidjab, rechts een Duitse vrouw in bikini. Tussen hen in, heel symbolisch, een net. Daarboven: een veelkleurige bal. Onder hun voeten: zand. Hun activiteit: beachvolleybal, een tot Olympische sport gebombardeerd strandspelletje.

Typisch voor de onderdrukking van de vrouw door de islam met daartegenover de vrijheid die een vrouw in het westen geniet, riep de ene. Een voorbeeld van emancipatie dat nu ook moslimvrouwen op topniveau aan sport mogen doen, schreeuwde de andere.

Ik dacht na over beide standpunten, maar bleef een trieste foto zien, genomen op een evenement dat ik in geen lichtjaren als topsport zal aanvaarden. Links: een vrouw die door haar godsdienst letterlijk in een keurslijf werd gepropt. Rechts: een vrouw die door de commercie en de door 'oude snoepers' - u mag hen ook rustig male chauvinist pigs noemen - bedachte spelregels zachtjes gepusht werd om in een sexy outfit te verschijnen. Ik zie geen vrijheid. Ik zie religieus fundamentalisme en seksisme. Ik zie twee vrouwen die door honderden miljoenen mensen met oogkleppen zullen bekeken en beoordeeld worden. Als dit het beeld van de Spelen moet voorstellen, dan is het maar een triestige bedoening.

'Meisjes die hier knokken voor het recht om een hoofddoek te dragen, moeten de eerste bondgenoot zijn van de meisjes die ginds vechten voor het recht om afstand te doen van de plicht om gesluierd te lopen,' zegt de slimme jonge moslimvrouw Yasmien Naciri vandaag in De Morgen. 'Het gaat om dezelfde strijd voor dezelfde soort vrijheid.' Ik versta: die linkse vrouw is onvrij, letterlijk gedwongen om zo gekleed te lopen, óók op het sportveld. Ik denk: die rechtse vrouw is eveneens onvrij, figuurlijk gedwongen om zo gekleed te lopen, om de sport populairder te maken. Insert: mannelijke knipoog.

Weet je wat hét beeld van deze Spelen zou moeten zijn? Dat die twee vrouwen van plunje wisselen: dat zou pas een statement zijn. En dat ze dan allebei naar huis zouden gaan en daar gewaardeerd worden vanwege hun sportieve prestaties, en dat ze niet te horen krijgen dat ze in een ongepast sportpak hun ding deden. Ook al is het dan maar beachvolley, een verzetje op het strand.

***

Die 4 x 200 meter vrije slag, is daar nog niet alles over gezegd? Wat een zootje, zeg! Eerst twijfelen of de ploeg wel in actie zou komen, al van een tijdje vóór het vertrek naar Rio, dan op de vooravond van de wedstrijd de knoop doorhakken: we doen niet mee, om de ochtend van de reeksen alsnog van gedacht te veranderen. Persiflage op topsport. De reacties op het thuisfront waren zo hevig, dat ik even dacht dat de 'daders' best in boerka terug naar België konden afreizen, uit veiligheidsoverwegingen.

Sportcommentatoren buitelden over elkaar heen in hun verontwaardiging. Hoe kan dit nou? Timmers, wat een egoïst! Croenen, wat een egoïst! Een enkeling vroeg zich af waarom de zwembond of het BOIC niet eerder de knoop hadden doorgehakt, maar dat bekte minder lekker, dus ging het algauw weer van 'egoïst' hier en 'spelbreker' daar. There's no I in team, u kent dat wel. En er zit wel een 'i' in zowel 'Timmers' als in 'Louis', (en in 'BOIC'). ('Like I always say, there's no "I" in team. There's a "me" though, if you jumble it up,' zei Dr. House ooit, maar dat was dan ook een, fictieve, cynicus.)

Het is niet omdat Pieter Timmers onverwacht zilver behaalde in de 100 meter vrije slag, het koninginnenummer in het Olympisch bad, dat hij nu recht van spreken heeft. Wel omdat hij en zijn coach lang vóór Rio hadden gezegd dat hij de reeksen van de 4 x 200 niet zou zwemmen. Dat wist iedereen: de andere teamgenoten, de bond, de pers, heel België als ze het een beetje gevolgd hadden. En Croenen had nooit echt de knoop doorgehakt, bleef de beslissing maar voor zich uitschuiven, tot hij in een individuele finale belandde en het plots niet meer opportuun achtte om die te combineren met de reeksen van de 4 x 200.

Croenen de pineut dan maar (er zit overigens ook een 'i' in 'pineut')? Nee, dit is de schuld van de Vlaamse zwembond en het BOIC. Zij hadden vooraf een deadline moeten stellen. Pakweg een maand voor Rio: jongens, wat wordt het, doen we mee of niet? Ja? We doen mee. Nee? We doen niet mee. Er had geen tussenin mogen zijn. 'Ja, maar ik zwem straks een finale,' had geen excuus mogen zijn voor een van de zwemmers. Waar dienen al die pipo's voor die drie weken rondlopen in Rio en er alleen maar te zien én luid te horen zijn op feestjes, recepties en dat soort fijne activiteiten? Als je naar de Spelen vertrekt, ligt de beslissing vast. Zo had het moeten zijn.

Als je twee dingen moet uitsluiten in topsport, zijn het willekeur en besluiteloosheid. Er is al genoeg risico op toeval tijdens de wedstrijden zelf.

***

Wij, Belgen, zijn niet goed in ploegsporten. We zijn plantrekkers, je m'en foutisten, eenzaten. We denken eerst aan onszelf. Après nous le déluge. Dáárom zijn we zelden goed in ploegsporten als het erop aankomt. Het is van 1936 geleden dat we nog eens een medaille behaalden in een Olympische ploegsport.

Vreemd genoeg maken we nu kans op een medaille in het hockey, een sport die nog altijd met het imago van Franstalig en bourgeoisie is opgezadeld, zogezegde rijkeluiskindjes die nooit hebben moeten delen en altijd hun zinnetje kregen. Iets om over na te denken.

***

RIP Komkommertijd. Dood en begraven, met dank aan terroristen, overijverige politici die van de relatieve zomerse rust gebruik willen maken om hun ideologisch punt te maken en hyperactieve topsporters. Dat voetbalt en fietst en springt en loopt en zwemt en werpt en schiet maar door. En dus zwijgen ook de anonieme stemmen in het grote Bozemensenbos niet meer. Als schuimbekken ooit een Olympische sport zou worden, halen we goud, zilver en brons in alle disciplines. Oók in de estafette: de 4 x 140 tekens.



  • Reacties(2)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post730

Het voetbalseizoen 2016/2017 voor u samengevat

SportGeplaatst door Frank Van Laeken vr, juli 29, 2016 14:13:54

Vanavond trappen KV Mechelen en landskampioen Club Brugge het voetbalseizoen 2016/2017 op gang. Dat is meteen een primeur: de allereerste wedstrijd in de Liga A, al mag u rustig Jupiler Pro League blijven zeggen. Er is ook een Liga B (anders zou die A daar een beetje mistroostig staan, natuurlijk). Liga A telt 16 clubs: dat was al zo. Liga B (die verder gewoon Proximus League blijft heten) telt 8 clubs: dat is nieuw, want vorig jaar telde de tweede klasse er nog 17. Die negen anderen zijn geen profclub meer en werden opgenomen in de Eerste Amateurliga. Het aantal profclubs werd dus gereduceerd tot 24. Nog altijd een stuk of tien te veel om leefbaar te zijn, maar dat is weer een ander verhaal.

Het nieuwe systeem is hetzelfde als het over de eerste zes in de stand na dertig speeldagen gaat. Hun punten worden gehalveerd en zij spelen tien wedstrijden lang play-off 1. Daaronder verandert er wel wat. De nummers zeven tot en met vijftien werken nog wel een play-off 2 af, maar dit keer in twee reeksen van zes (in plaats van vier). Meer spekta...ach, laat maar. Om aan twaalf clubs te geraken in play-off 2 worden de nummers twee, drie en vier uit Liga B opgevorderd, na hun reguliere competitie van 28 wedstrijden. Acht clubs, 28 wedstrijden, u heeft dat snel omgerekend: alle clubs spelen inderdaad vier keer tegen elkaar. Vier keer Tubize-Lommel United, dat wordt smullen.

De kampioen van Liga B doet niet mee in play-off 2. Dat zit zo: de club die het eerste deel van de competitie eerste eindigt, na 14 wedstrijden, speelt een dubbel duel tegen de club die het tweede deel van de competitie op kop afsluit. De winnaar dáárvan is kampioen. Als het twee keer om dezelfde club gaat, is er geen extra duel nodig, zo slim zijn ze in Voetballand ook wel, al heeft OH Leuven 1-OH Leuven 2 op papier iets. Daarmee weet u al direct wie ik denk dat volgend seizoen in Liga A zal mogen spelen. Overigens, wie zestiende staat na dertig matchen in Liga A, degradeert. Die jongens hebben al congé payé vanaf 12 maart 2016 tot half juni, wanneer de trainingen hervatten. Idem dito voor de kampioen in Liga B. Die promoveert dan wel, maar heeft vijf maanden geen inkomsten meer.

Een intelligente lezer zal hebben opgemerkt dat er iets vreemds aan de hand is. Terwijl de kampioen van de Liga B vrijaf heeft vanaf half maart, nemen de drie clubs daarachter deel aan play-off 2 én maken zij ook nog kans op Europees voetbal, als ze eerst hun reeks in play-off 2 winnen, vervolgens de winnaar van de andere play-off 2-poule uitschakelen en dan ook nog eens een heen- en terugwedstrijd tegen de vierde uit play-off 1 winnend afsluitend. It's a long way to Tipperary, dat klopt, maar het kán. En dat zou pas absurd zijn: vierde eindigen in tweede klasse, niet de beker winnen en volgend seizoen toch Europees mogen spelen. Only in Belgium!

***

Om u tijd te besparen, geef ik u nu al mee dat (in alfabetische volgorde) Anderlecht, Club Brugge, KRC Genk, KAA Gent, KV Oostende en Standard play-off 1 zullen spelen en dat Moeskroen-Péruwelz degradeert. En Club Brugge wordt opnieuw kampioen. Daar zijn twee simpele redenen voor: 1) ze hebben een uitstekende trainer — die dat hopelijk binnenkort mag combineren met een zitje in de dugout van de nationale ploeg —, min of meer dezelfde kwalitatief sterke kern én het trouwste publiek, en 2) Raf Willems heeft een boek over blauwzwart geschreven.

Die Willems is niet de eerste de beste, kan ik u garanderen. Met Hand in hand voor blauw & zwart. Clubliefde van Raoul tot Rafa zit hij al aan zijn zevenendertigste voetbalboek, zijn veertigste sportboek in totaal. Raf heeft blauw bloed door de aderen stromen, een club- en Clubliefde die ontstond op een zonnige dag in 1968. 'Ik juichte maar ik begreep niet waarom,' schrijft hij in de inleiding. 'Op een avond in mei 1968 zag ik mijn eerste voetbalbeelden op televisie. Ik was acht en keek naar rare mannetjes die op elkaar sprongen en met een beker zwaaiden. Ik hoorde dat Raoul Lambert een penalty in doel had getrapt. Club Brugge kwam op mijn pad. Ik voelde instinctief aan: dát is het!'

Ik huilde en ik begreep zeer goed waarom, die 26ste mei. De tegenstander van Club Brugge op de Heizel was Beerschot. Mijn Beerschot. Dat een penalty miste in de eerste negentig minuten en dat pas na twintig strafschoppen verliezend afdroop. Ik was negen en mocht niet naar het stadion. Mijn Beerschot en zijn Club Brugge kwamen elkaar later nog een paar keer tegen in de bekerfinale, in 1979 en 2005, en toen mocht ik juichen en Raf huilen. Maar we dwalen af.

In Hand in hand voor blauw & zwart heeft Raf een persoonlijke Top 50 opgesteld van de voorbije achtenveertig jaar, sinds die ene meidag in 1968. Met dat soort lijsten krijg je uiteraard altijd discussie. Waarom staat die er wel in en die andere niet? Zo begrijp ik niet waarom Paul Courant, Paul Okon en Jos Volders er niet in staan en Pascal Plovie, Olivier De Cock en Stephan Van der Heyden wél, bijvoorbeeld. De portretten staan min of meer in chronologische volgorde van verschijning op Rafs tv: Raoul Lambert, Ferdinand Boone, Pierre Carteus, Johnny Thio en Erwin Vandendaele mogen openen, de huidige generatie rondt af.

Hij hoort het niet graag, maar Raf is een voetbalromanticus. Hij houdt van offensief voetbal, dweept met Ernst Happel, vindt Pelé de beste voetballer aller tijden, haat catenaccio en pleit in dit boekje — dat werd uitgegeven door De Vliegende Keeper, de uitgeverij die hij samen met zijn broer runt — voor 'volgasvoetbal'. Iets waar ik hem overigens in kan volgen.

Ik kan me voorstellen dat Hand in hand voor blauw & zwart een hebbeding is voor Clubsupporters en dat fanatieke fans van andere clubs dit best links laten liggen. In een notendop lezen blauwzwarte supporters heldenverhalen over spelers die de meesten nooit zelf zullen hebben bezig gezien. Er staan fijne anekdotes in, maar ook koele statistieken. En Raf is speciaal naar Wenen gereisd om er in de voetsporen van Ernst Happel te kunnen treden, voor wat de ultieme hommage moet zijn aan de stuurse, weinig spraakzame succestrainer.

Wat u tenslotte nog mag en eigenlijk moet weten over Raf Willems: hij is ook de op één na beste zaalvoetbalkeeper uit de geschiedenis van het cafécircuit.

Raf Willems, 'Hand in hand voor blauw & zwart. Clubliefde van Raoul tot Rafa', uitgeverij De Vliegende Keeper, 133 blz., 15 euro.







  • Reacties(4)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post728

Cer ymlaen!

SportGeplaatst door Frank Van Laeken vr, juli 01, 2016 12:47:03

Peldroed. Zo noemen de Welshmen voetbal. Pêl-droed yn gêm brydferth. Voetbal is een mooie sport. Gwmawn bethau yn well yma nag yn Lloegr. We doen de dingen hier beter dan in Engeland. (Voeg ik er na de uitschakeling van de Engelsen even aan toe.)

Het Welsh is een van die talen waar geen touw aan vast te knopen valt voor een modale wereldburger. Het lijkt wel alsof een zak met klinkers en een andere met medeklinkers gelijktijdig op tafel werden leeggeschud en er met de kriskras door elkaar liggende letters toevallige woorden werden gevormd, zonder verdere pogingen om Scrabblepunten te scoren. "Het ligt goed zoals het is, doe maar!" (Yw ddigon da, cer ymlaen.)

***

Als de Welshmen straks in hun eigen geheimtaal met elkaar communiceren in ons strafschopgebied wordt het moeilijk om volgen voor onze jongens, maar dat komt goed uit: we hebben toch niet getraind op verdedigende automatismen. Geen tijd verloren, goed gezien van onze bondscoach. Alleen een kniesoor als ik stoort zich daaraan, dus "Pwy sy'n becso?" (Who cares?). Dat we vanavond én Kompany én Vertonghen én Vermaelen (én Lombaerts) moeten missen, en dat de gelegenheidsverdediging nog geen seconde zal hebben samengespeeld, wie maalt daarom? We zullen wel zien. Hoe heet die dure voetballer weer van Wales? Bailey?

Voetbal moet de sport zijn waarin het meest aan het toeval wordt overgelaten en tegelijk word je overladen met een mengeling van zeer waardevolle tot volstrekt nutteloze statistieken, waar de entourage van een nationale ploeg — toch algauw een man of tien die tussen de trainingen door niet zo gek veel te doen hebben en die ook in de loop van het jaar worden betaald om iets te betekenen voor de nationale trots — best wel nuttige conclusies uit kan trekken. Maar voetbal is ook de sport waarin intuïtie het vaak haalt op analyse. Cer ymlaen! (Doe maar!)

Daarom zul je bij de Rode Duivels geen aanvallende automatismen ontdekken. Dat viel bijzonder op in onze openingswedstrijd tegen Italië. Als een landgenoot de bal had op de helft van de tegenstander, stond de rest nagenoeg stil. Ze wisten niet wat te doen, omdat niemand hen dat gezegd had. In hun eigen team trainen ze daar uren en uren op, maar niet in de nationale ploeg. Cer ymlaen, Eden! Cer ymlaen, Kevin!

Je vraagt je af waarom de spelers al op 19 mei werden geconvoceerd en waarom de meeste trainingen achter gesloten deuren verlopen. Want niet alleen tegen Italië liep het mis, omdat de bondscoach van de Azzurri toevallig wél tactisch beslagen is. Ook de eerste helft tegen Ierland was het stapelvoetbal, wachten op een geniale inval van een van onze sterren. Die kwam er pas kort na de rust en toen werd het allemaal veel makkelijker. Tegen de Zweden bibberden we een heel eind weg, inclusief een onterecht afgekeurde goal, tot de wreef van Nainggolan en een Zweedse kont ons bevrijdden. Alleen tegen Hongarije leek er een plan te zijn: hoog verdedigen, snel storen, vlotte balcirculatie (ook al betekende dit dat we daarvoor de fetisj van het hogere balbezit moesten opgeven, het Barça-syndroom zeg maar). Het rendeerde, alleen de efficiëntie kon nog een pak beter, maar wie maalt daarom als je de Rode Duivels hun beste toernooiwedstrijd in zesentwintig jaar zag spelen (op de Mondiale in 1990 was er de 3-1 tegen Uruguay, daarna ging het allemaal wat krampachtiger)? België-Hongarije zou een maatstaf moeten zijn, een ijkpunt, geen toevalstreffer. Kan het?

***

Zelfs als we over negen dagen Euro 2016 winnen, zal ik blijven zeggen dat het ondanks Marc Wilmots is, niet dankzij. De spelers hebben blijkbaar alles te zeggen nu. Ze leggen zo te lezen zelf de tactische lijnen vast, ze mogen transferonderhandelingen gaan voeren op andere locaties, ze hoeven zich niet te verbergen als ze een sigaretje willen roken. Binnenskamers blijft er van die kadaverdiscipline (nauwelijks vrouwen of vriendinnen op bezoek, gesloten trainingen, geheimdoenerij) weinig over. Cer ymlaen!

Toch wil ik de bondscoach niet verwijten dat de ervaren Nicolas Lombaerts straks niet het veld zal oplopen. Tenminste, als hij zijn beslissing om Lombaerts niet op de ultieme lijst van 23 te zetten baseerde op de informatie van de medische staf en niet op zijn eigen aanvoelen. Een coach moet zijn medewerkers kunnen vertrouwen en daar blindelings op voortgaan. Zegt de dokter dat Lombaerts niet voluit had kunnen voetballen op dit EK, dan is dat zo. Waar dient anders die dokter nog voor?

***

Ik hoop op Jason Denayer als vervanger voor Vermaelen (en uiteindelijk dus ook Vertonghen). Ik denk dat het Ciman wordt. Wilmots heeft al laten uitschijnen dat hij voor ervaring zal kiezen. Ervaring die hij dus blijkbaar niet op training heeft uitgeprobeerd in een ongeziene formatie, maar soit. Zolang we maar aanvallend spelen, zoals tegen Hongarije: hoog, snel, Gareth Bale zo ver mogelijk van ons doel weghouden, want zijn vrije trappen zijn nog dodelijker dan zijn rushes.

Of het nu Ciman of Denayer wordt (of alsnog Kabasele), het zou allemaal niets mogen uitmaken. Natuurlijk is het een nadeel dat we drie vaste verdedigers moeten missen. En toch... Fodd bynnag, ni ddylem ddefnyddio hynny fel esgus. (Maar dat zouden we niet als excuus mogen aanwenden.)

***

Cer ymlaen!



  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post726

Mr. Creosote

SportGeplaatst door Frank Van Laeken za, juni 11, 2016 12:55:03

Het vat is af, zeggen we in Antwerpen. Ik gebruik die 'we' even for old time's sake, want ik woon al een kwarteeuw niet meer in de koekestad van de Sinjoren, maar sommige spreekwoorden heb ik stiekem ontvreemd terwijl de Antwerpenaren even niet opletten tijdens het uitgebreid afscheid nemen van hun afgezant. 'Het vat is af' betekent zoveel als: ik ben moe. Uitgeput. Toe aan vakantie. En dat is nu net wat ik de komende weken zal doen. Dolce far niente.

Al is het natuurlijk wel Euro 2016. Een groot voetbaltoernooi, dat neem ik doorgaans tot mij zoals Mister Creosote zich culinair volvrat in die beruchte scène uit The Meaning Of Life: hij blijft eten tot hij letterlijk ontploft en het spuug in het rond vliegt. Niet dat u zich daarbij moet voorstellen dat ik om de twee jaar in juni net als Terry Jones een buitenmaats kostuum draag en met moeite mijn dikke kont in de zetel kan ploffen, maar u begrijpt mij wel: als je teveel digestiefjes, amuusjes en een eindeloze sliert voorgerechten tot je neemt ben je tegen het hoofdgerecht, de finale, volgevreten. Maar ik ben altijd bang dat ik ook maar iets zou moeten missen: een geniale flits, een briljante ingeving, een fysiek haast onmogelijke save, een vrije trap die vanop veertig meter met de hiel wordt binnengetrapt, kortom, het betere werk.

Niets van dat alles de komende weken. Ik trek naar een voetbalgek land waar je de meeste wedstrijden niet op de openbare televisie kunt volgen. Waar er alleen bij de matchen van de eigen nationale trots grote schermen op dorpspleinen worden geïnstalleerd. Waar de doorsnee voetballiefhebber pas interesse begint te betonen vanaf de kwartfinales, maar tegen dan ben ik allang weer thuis. Ik ga de eerste ronde nagenoeg volledig missen, of ik moet mijn huwelijk op het spel zetten, want mijn dierbare echt- en huisgenote is geen Mrs. Creosote, zeker niet wat voetbal betreft. En omdat ik haar graag zie, offer ik mezelf liefdevol op (insert dramatische vioolmuziek).

Ik zat dus tot voor kort met een ambetant gevoel. Wat zou ik verdorie allemaal moeten missen! Tot ik het wedstrijdschema onder ogen kreeg. Roemenië-Albanië, Rusland-Slovakije, Polen-Noord-Ierland, Tsjechië-Turkije, Ierland-Zweden, Oostenrijk-Hongarije, IJsland-Oostenrijk. Geef mijn portie maar aan Fikkie, ook al worden het wereldpartijen. Het is zoals de zes weken na mijn vorige eervolle vermelding op deze plek nog steeds onvolprezen columnist Jan Devriese vanmiddag tweette: 'Zwitserland-Albanië, een mens kijkt ernaar uit als naar een rectaal toucher'. De indigestie wenkt voor álle voetballiefhebbers. Er zijn te veel wedstrijden. En dat komt omdat er te veel deelnemende landen zijn. Vierentwintig, met name. Op een EK, godbetert. Op een WK zijn het er 32, ook héél veel, té veel, maar dan spreek je tenminste over zes continenten en meer dan tweehonderd landen die aan de voorrondes beginnen.

De Europese voetbalbond UEFA telt sinds kort 55 leden. Dat wil dus zeggen dat 44 procent van de aangesloten leden mag deelnemen aan dit Europees Kampioenschap in Frankrijk. Vierenveertig! Da's bijna één op twee. Toen de Rode Duivels in 1980 de finale bereikten van het EK in Italië waren er slechts acht deelnemende landen op een totaal van 33 UEFA-leden (de toename van het aantal leden heeft vooral te maken met de implosie van Joegoslavië en de Sovjet-Unie, vertel ik er even bij). 8 op 33, dat is 24 procent, minder dan één op vier. Alleen groepswinnaars mochten toen naar de eindfase. In 1980 eindigde België eerste in een groep met Oostenrijk, Portugal, Schotland en Noorwegen. In de aanloop naar dit toernooi werden ocharme Wales, Bosnië en Herzegovina, Israël, Cyprus en Andorra opzij gezet, al had een tweede plaats volstaan en mogelijk zelfs een derde, al diende er dan nog een barrage gespeeld te worden. In 1980 moest je moeite doen om erbij te zijn. In 2016 moet je moeite doen om er níet bij te zijn.

Hoera, Albanië, Hongarije, Ierland en IJsland, roepen sommigen. Het zijn wellicht diezelfden die het leuk vonden dat Eric Musambani in 2000 mocht deelnemen aan de Olympische Spelen in Sydney. Onder het mom van: exoten welkom in het Olympisch zwembad. Ook al had de man uit Equatoriaal-Guinea bij ons nooit een zwembrevet gekregen, vanwege: nauwelijks kunnen zwemmen. Op YouTube vind je hem terug onder de titel 'Funny Swimmer'. Láchen! (En ook wel: een beetje quasi-racistisch medelijden hebben met de man die willens nillens de bijnaam 'Eric the Eel' torst.) Je kan dat sympathiek vinden, maar eigenlijk is het een aanfluiting van de sportieve waarden.

Op grote sporttoernooien moeten de besten van de wereld zich met elkaar meten, aangevuld met sporters en teams die verdienstelijk weerwerk kunnen leveren. De top en de subtop, zeg maar. Het is de enige plek waar de 'survival of the fittest' toegelaten zou mogen zijn. Voor al wie niet goed genoeg is om aan topsport te doen is er de 'breedtesport'. Dat is niet erg, er zijn maar enkelen uitverkoren. Laat die uitblinken en laat de rest bewonderend toekijken. Daarom noemen we het ook 'topsport'. Daarom wordt er veel geld betaald voor de uitzendrechten. Daarom zetten mensen zich met een krat bier en zakken chips voor de televisie. Een EK met zestien landen, zoals de voorbije edities, is ruim voldoende. 29 procent van de aangesloten leden bij de UEFA. Als de nieuwe FIFA-voorzitter Gianni Infantino zijn verkiezingsbelofte waarmaakt, krijgen we eerlang veertig deelnemende landen op een WK. Niet doen. Dan ben je zes weken onderweg en ben je het spelletje al na de eerste ronde beu.

Op de duur is er zoveel kaf dat je het koren niet meer ziet. Obesitas en topsport horen niet samen. Voor je het weet zijn we allemaal Mister Creosote: kotsmisselijk en volgevreten na ontelbare voorafjes op een bedje van complete overbodigheid met een zalfje van commercieel geflipflop.







  • Reacties(0)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post724

The Greatest

SportGeplaatst door Frank Van Laeken za, juni 04, 2016 13:30:05

Float like a butterfly, sting like a bee.

Scène 1. Jongen van 7 leest de krant: 'Cassius Clay weigert in Vietnam te gaan vechten'.

Vietnam, daar had ik al van gehoord, de oorlog is in 1966 volop aan de gang, het nieuws sijpelt met enige vertraging ook in de Vlaamse huiskamers door. Dat iemand durft te weigeren om te gaan vechten in een ver, vreemd land intrigeert me. Het voedt mijn prille anti-militaristische gedachten en zal zestien jaar later zeer zeker een invloed hebben op mijn beslissing om gewetensbezwaarde te worden. Ik geloof niet in geweld als oplossing. En daar is dan een bokser, die van 15 maal 3 minuten gewelddadig gedrag zijn beroep heeft gemaakt, om me daarop te wijzen. 'Cassius Clay' staat er wel degelijk te lezen, terwijl de jongeman met die naam twee jaar eerder heeft opgehouden te bestaan. De Olympische kampioen van Rome in 1960, op zijn achttiende!, de wereldkampioen na winst tegen Sonny Liston in 1964, heeft zich bekeerd tot de Nation of Islam, waar hij aan de zijde van Elijah Muhammad en Malcolm X figuurlijk vecht tegen rassendiscriminatie. Smijt zijn Olympische gouden medaille in de Ohio River uit protest tegen segregatie en rassenhaat, nadat hem kort na de Spelen de toegang tot een restaurant wordt ontzegd vanwege zijn huidskleur. De jongen van 7 leest gretig alle artikels over de man die hij begint te bewonderen. Hij kijkt in zwart en wit naar het atletische lichaam van een topsporter. The Greatest. Zou het?

No Vietcong ever called me a nigger.

Scène 2. Ergens in 1970 ziet een jongen van 11 een tv-journaal: 'Muhammad Ali krijgt zijn bokslicentie terug'.

Drieënhalf jaar lang mag Ali niet boksen. Een deel van die tijd brengt hij zelfs achter tralies door, de rest in ballingschap. Niet meer welkom in het Amerika van Nixon, Ku Klux Klan en communistenhaat. Hij die weigert te gaan vechten tegen de verderfelijke Vietcong, de anti-patriot. In mijn ogen wordt hij stilaan de grootste patriot aller tijden. Een man die zich verzet tegen een systeem dat iedereen probeert fijn te malen, indoctrineren, tot haat aan te zetten. Negentien jaar vóór een student zich voor een tank posteert op het Tienanmenplein in Beijing is Ali voor mij de man die figuurlijk voor een tank gaat liggen, die een helikopter dankzij zijn eigen oerkracht aan de grond houdt, die weigert jubelend napalm uit te strooien over de jungle. Een held. Een échte.

He who is not courageous enough to take risks will accomplish nothing in life.

Scène 3. Op 9 maart 1971 ziet een jongen van 12 een verslag van de 'Fight of the Century': 'Ali verliest van Frazier'.

Mijn held wil zijn wereldtitel terug, na drieënhalf jaar van vernedering en uitsluiting. Ik ben blij dat hij terug mag boksen, maar ook een beetje boos. Mijn ouders vinden twaalf veel te jong om 's nachts live naar zijn wereldtitelkamp te kijken op de Nederlandse televisie. Dat Ali verliest is een pleister op de wonde. Helden wil je niet zien tenonder gaan, zeker niet tegen een bruut. Vergeleken met de plompe Frazier is de meer dan honderd kilogram wegende Ali een sierlijke rietstengel. Een wonder van de natuur. (Maar dat boksen, is dat niet verschrikkelijk? Is dat nog wel sport? De twaalfjarige jongen is in dubio, blijft voorlopig wel bewonderen.)

Boxing is a lot of white men watching two black men beat each other up.

Scène 4. In de nacht van 29 op 30 oktober 1974 kijkt een jongen van 15 zich de ogen uit tijdens 'the Rumble in the Jungle': 'Ali wint van Foreman'.

Is Joe Frazier in mijn ogen een lelijke bruut, wat is die George Foreman dan? Een überbruut? Een man die zijn tegenstanders alleen al door zijn verschijning angst inboezemt. Ali maakt geen schijn van een kans, zeggen alle kenners. Ali maakt geen schijn van een kans, denk ook ik. Ik slorp alles op: de krantenartikels, de radiocommentaren, de tv-verslagjes. Ik zie mijn held de draak steken met zijn toekomstige tegenstander. Hij rijmt erop los, want rappen is dan nog geen begrip. Psychologische oorlogsvoering die met één tik tot de categorie 'Belachelijk' kan worden gereduceerd, dat weet ook mijn held. De eerste zeven ronden gaat hij gewillig in de touwen staan, iets wat een bokser normaal altijd wordt afgeraden te doen. Ali incasseert slagen op buik, lever en milt. Af en toe roept hij de molenwiekende Foreman iets toe, een verbaal plaagstootje tussen de hoog opgetrokken handschoenen door. Ik denk: wat een afgang. Ik zing stilletjes met het Zaïrese publiek mee : 'Ali, bomaye!' ('Ali, doodt hem!'). En in ronde acht gebeurt het ondenkbare. Ali komt uit de touwen en stapt op Foreman af. Klets, boem, patat, daar gaat de wereldkampioen bij de zwaargewichten tegen het canvas. Ali heeft de wereldtitel beet. Dat ik uren later op school met kleine oogjes allang vergeten lessen volg: wie kan het wat schelen? Op de speelplaats wordt de kamp dunnetjes overgedaan. Ja, in het midden van de nacht opstaan voor bokskampen, dat doen we nog in de jaren zeventig. Al blijft die ene vraag door mijn hoofd zoemen: mag ik dit wel appreciëren, ik die geen vlieg kwaad zou doen, die nog nooit in zijn leven gevochten heeft?

People don't realize what they had till it's gone. Like President Kennedy, there was no one like him, the Beatles, and my man Elvis Presley. I was the Elvis of boxing.

Scène 5. 1 oktober 1975, net iets minder dan een jaar na zijn onverwachte zege tegen Foreman, bokst mijn held in de 'Thrilla in Manila': 'Ali wint van Frazier'.

Een jongen van zestien ziet dat na de reus Foreman ook het monster Frazier eraan moet. Weer een nachtelijk gebeuren, omdat de organisator op de Filipijnen vooral de Amerikaanse tv-kijkers wil plezieren en die kijken liefst rond een uur of negen 's avonds, midden in de nacht bij ons, 's ochtends vroeg in Manila. Mijn held wint dan wel, maar de magie is weg. Zelfs de kamp tegen de verloren gelopen Belg Jean-Pierre Coopman volg ik het jaar nadien in uitgesteld relais. Gelukkig maar, want het is een farce. Ali is onverwacht aardig voor zijn opponent. Hij weet: piece of cake. Coopman is een sparring-partner voor de wereldkampioen, die op zijn 34ste zichtbaar trager bokst. Hij zweeft niet meer door de ring, hij steekt nog slechts af en toe. Er klopt iets niet. Maar wát?

Wars of nations are fought to change maps. But wars of poverty are fought to map change.

Scène 6. Een over zijn hele lijf bevende man loopt op 19 juli 1996 een gigantisch podium op: 'Ali ontsteekt de Olympische vlam'.

Parkinson, dat heb ik al gelezen in 1984 of zo. Een gevolg, wellicht, van de vele geïncasseerde klappen. Maar dat het zo erg is... Ik wend mijn hoofd af, al mag dat niet te lang duren, want de sportredactie verwacht dat ik de hoogtepunten van de openingsceremonie samenbal in een montage van drie minuten. Het liefst laat ik er mijn held uit, maar dat kan niet: de Olympische vlam is het hoogtepunt van die veel te lange, veel te dure, veel te pompeuze bedoening. Ik vind het ontluisterend. Net zoals ik het een paar dagen later jammer vind dat hij symbolisch zijn gouden medaille van Rome, die hij kwaad in een rivier had gesmeten, terugkrijgt. Ik vind het nep, Amerikaanse show, een groot kampioen onwaardig. Het doet af aan die moedige daad van zesendertig jaar voordien. Ali laat zich gewillig fêteren, zo lijkt het. Of hij ondergaat het, wie zal het zeggen? Als hij zestien jaar later de Amerikaanse vlag mag dragen wanneer Team Yankee het Olympisch Stadion in Londen betreedt, pink ik een traan weg. De commentator noemt het ontroerend en historisch, ik zie alleen maar een vernederde sukkel, die 'neger' met zijn slavennaam, Cassius Clay, die opnieuw als aapje wordt opgevoerd voor een joelend publiek. Het is weer 1960.

I've made my share of mistakes along the way, but if I have changed even one life for the better, I haven't lived in vain.

Scène 7. Een jongen van 40 laat zijn held in de steek.

De Top 52 van de eeuw, mijn idee om het hele jaar 1999 de grootste sporters aller tijden te eren middels een rubriekje in Sportweekend. Alle medewerkers van de tv-sportredactie mogen een persoonlijke Top 20 opstellen, van die verzamelde lijsten maken we een Top 52. Er wordt flink gediscussieerd die dagen. Er ontstaan twee groepen: de Merckxisten, zij die Eddy Merckx de grootste sportman aller tijden vinden, en de anderen, zij die kiezen voor Carl Lewis, Michael Jordan, Pelè of Muhammad Ali. Ik denk: Ali. Ik zet op 1: Merckx. Het ultieme verraad, omdat ik tot een groep wil behoren en daarom laat ik de man vallen die ooit zijn gouden plak wegzwierde omdat hij niet tot een groep mócht behoren. Ik ben een lafaard. Ik wil dit hier en nu, op mijn zevenenvijftigste, goedmaken: Muhammad Ali, en niemand anders, is de mooiste, praatvaardigste, interessantste, grappigste, intelligentste en, jawel, beste sportman aller tijden.

I'm the greatest thing that ever lived! I'm the king of the world! I'm a bad man, I'm the prettiest thing that ever lived.



  • Reacties(1)//maandans.frankvanlaeken.eu/#post723
« VorigeVolgende »